We schrijven het najaar van 1991. Het was frisjes buiten, die nacht in Breda, maar mijn broer Patrick en ik stonden warmgedraaid in de Willemstraat. Om negen uur ’s ochtends zou de ticketverkoop voor Dire Straits beginnen bij het VVV-kantoor. Het concert stond gepland voor 29 mei 1992 in De Kuip en heel Brabant had blijkbaar besloten om daar op de stoep te overnachten. Het was zo druk, dat de rij de hoek om slingerde richting de Academiesingel.

Zelfs met de strenge regel dat je maar twee kaarten per persoon mocht kopen, zag het er somber uit voor deze Brothers in Arms. Om de moed erin te houden en de rest van de wachtenden een beetje te jennen, besloten Patrick en ik de sfeer op unieke wijze te terroriseren. We hadden een kleine cassetterecorder bij ons en startten de band: ouderwetse, onvervalste DECAP-orgelmuziek. Terwijl dat hoempapa-geluid door de Willemstraat schalde, riepen we bloedserieus naar de verkleumde massa: ‘Ja! Allemaal!’

Ik stond daar overigens niet alleen voor mezelf. Ik had een grote fan uit Werkendam beloofd dat ik hem mee zou nemen, mocht het lukken. Mijn kameraad kwam uit Werkendam, rechtstreeks uit de Biblebelt dus. Om klokslag negen uur opende het VVV-loket en binnen no-time was de vrijdagavond stijf uitverkocht. Stress! Maar het management was ons gunstig gezind en plakte er wegens succes meteen twee extra concerten aan vast. Ik scoorde twee felbegeerde tickets voor zondag 31 mei. Dolblij belde ik mijn vrome maat. Zijn gortdroge reactie? ‘Oei, zondag... dat gaat me niet lukken.’ Ik dacht oprecht dat het een grap was. Mark Knopfler moest blijkbaar wijken voor de zondagsrust.

Maar het verhaal wordt nog gekker. Het jaar erna kondigde U2 aan dat ze naar De Kuip zouden komen. Nu waren de rollen omgedraaid: mijn vrome vriend overnachtte dapper in de rij voor kaarten. Hij had geluk, althans, dat dacht hij. Tot hij naar zijn felbegeerde tickets keek: zondag 9 mei 1993. Wéér die verdomde zondag. Maar godzijdank wist hij ze te ruilen met iemand voor de maandagavond. Hij belde me direct dolenthousiast op: ‘Ik heb kaarten voor maandag 10 mei!’ Waarop ik jolig reageerde: ‘Nee, jammer, dan kan ik niet. Dan heb ik áltijd een uitvaart.’ We moesten er keihard om lachen.

Je moet de goden echter nooit verzoeken. Want wat gebeurde er? Op die bewuste maandag 10 mei had ik inderdaad een uitvaart. Hoe verzin je het?! Het ging weliswaar om een oudtante, maar god had mijn flauwe grap wel héél letterlijk genomen. Toch liet ik me niet uit het veld slaan, en al helemaal niet uit het heilige gras van Rotterdam.

Na de plechtigheid sjeesden we naar Rotterdam. Het werd een onvergetelijk concert. Maar het allermooiste moment kwam halverwege de show. Ik keek toevallig even opzij naar mijn vrome, strenggelovige maat. Daar stond hij, met de armen wijd in de lucht, terwijl hij met open mond en uit volle borst keihard meezong met: Sunday Bloody Sunday! Hij was de zondag én de kerk even helemaal vergeten. En de goden? Die zagen dat het goed was.