Het geluk was aan onze zijde, want zowel de jongste als de twee oudsten hadden vrijdag een studiedag van school. Het besluit stond meteen vast: dat wordt een dagje Efteling. Met een heerlijke najaarszon en veel goede zin werd de drukte in het park naar de achtergrond verdrongen en genoten we kinderlijk met z’n vijven in de Wereld vol Wonderen.

Een bezoek aan de Efteling blijft iedere keer weer de moeite waard, ondanks de steeds maar hoger wordende entreeprijs. Maar goed: daar is de Efteling geen uitzondering in. We proberen als gezin toch zeker een keer per jaar, twee jaar te gaan. Vroeger kwam ik er vaker. Als tiener had ik met de vrienden jarenlang een abonnement; later ging ik er nog vakantiewerk doen. Herinneringen genoeg dus.

Dat ik langzaamaan op leeftijd begin te geraken, blijkt uit het feit dat ik de kinderen probeerde wijs te maken dat we vroeger onze fiets altijd in de fietsenstalling aan de doorgaande Europalaan moesten parkeren. En dat we dan het park binnenkwamen waar nu het Ton van de Venplein is. “Huh, maar was de Droomvlucht er toen niet dan? En Villa Volta? En Ravelijn?” Nee beste kinderen, toen was de Python de grootste attractie van het park en waren de meeste attracties van nu slechts pennenstreken op papier.

“Ik weet een oud kasteel te staan, maar ‘k zeg aan niemand waar. Daar komen midden in de nacht de sprookjes bij elkaar. Kabouter Kees staat bij het hek, hij kent ze op een prik. Geen mens mag daar naar binnen gaan, nou ja behalve ik. Wij zijn de figuren uit het grote sprookjesboek en brengen aan de kinderen ‘s avonds een bezoek. Dan gaan we weer de kast in maar slaap is er niet bij, want als de kinderen slapen, dan zijn wij lekker vrij. Wij willen wel eens praten, er zit ons heel wat dwars; van wat men over ons vertelt klopt bijna nooit een snars.”

Roeivijver

Hele zomers hebben we in de Efteling doorgebracht. Omdat we zo vaak gingen, sloegen we bij drukke dagen de attracties over. Wat we dan deden? Voetballen op het veld naast de carrousel, karpers vangen en roeien in de roeivijver (waar nu Aquanura is), rondwandelen door het park en schoorvoetend gehoor geven aan onze eerste puberale gevoelens. Van dat laatste is overigens weinig terecht gekomen, godzijdank. In die jaren verzonnen we voor alle attracties eigen namen. De meeste daarvan zijn niet ‘krantwaardig’, maar denk bijvoorbeeld aan het ‘Knoppentheater’ voor Carnaval Festival en de ‘Vliegende Tepel’ voor de Pagode. Dus…

Maar het waren gouden tijden. Vanuit Waspik gingen we meestal met een grote groep, een divers gezelschap met onder andere de Kip, de Gleuf en Idle Gossip. De attracties kenden we van buiten en altijd maar weer diezelfde grappen: mensen laten schrikken door de deurklink in het Spookslot omlaag te doen of, kijkend naar de ketting die de kar van de Python omhoog takelt zeggen: “As ge zon ketting op oew fiets het dan trapte oew ège wel lens, Sigi Lens.” Onderbroekenlol van de bovenste plank.

Verwonderen

Maar gelukkig gaan mijn herinneringen nog verder terug. Als kind gingen we slechts sporadisch naar het park; dat was toen veel te duur. Ik kwam er regelmatig langs, dat wel, als we met ons pa en ma gingen fietsen. Dan stopten we altijd bij het hek achter de Python om ons te verwonderen over die ijzeren slang die over de kop ging. Door het gegil van de mensen wist ik toen al dat ik dat waarschijnlijk nooit zou gaan doen. Dat zou echter anders lopen…

“Jongens, jongens, stop eens even: zó komen we er nooit uit.Ieder op zijn beurt, eerst Hans en dan Grietje. Toen ik al m’n kruimels strooide wist ik heus wel wat ik deed. Want een kind van onze leeftijd weet wel wat een vogel eet. Morgen zou ik ‘t koekhuis vinden, stond in ‘t sprookjesboek vermeld. Hij had dus geen brood meer nodig: dat wordt er niet bij verteld. Zo, nu klein Duimpje dan, je staat zo te dringen. Het idee om iets te strooien dat keek Hans eerst af van mij, maar bedanken voor die vinding is er bij dat joch nooit bij. En de heks ging in de oven, dat deed Grietje met geweld. Zoiets kun je toch niet maken, dat wordt er niet bij verteld.”

Die keren dat we er dan wel kwamen, lag onze focus vooral op het Sprookjesbos en op de speeltuin, het oude deel van waaruit de Efteling ooit ontstaan is. Attracties als de Python, toen net geopend, waren veel te spannend; voor mij dan… Net als het Spookslot trouwens. Nee, laten we het er op houden dat ik vroeger niet zo’n held was. Des te mooier is het om te zien hoe nu de jongste, 8 jaar oud, in alle attracties ging afgelopen vrijdag. Helemaal blij met haar paarse polsbandje dat haar qua lengte toegang gaf tot alle attracties, inclusief Baron 1898. Zonder enige schroom stapte ze overal in om er vervolgens breed lachend weer uit te komen. Het lot van de derde zullen we maar denken.

Aanleiding voor dit verhaal is het bezoekje dat we vrijdag brachten aan de stroopwafeltent Kogeloog bij Langnek. Ik verbaasde me erover dat Langnek al die jaren eigenlijk niets is veranderd. Doet ie goed, gezien zijn leeftijd (Langnek opende op 31 mei 1952 tegelijk met de rest van het park). Ik zocht ter plaatse op mijn telefoon de hoes op van het singletje ‘Het grote sprookjeslied’ van onder andere Bonnie st. Claire, Corry Konings, Sandy, Alexander Curly, Nico Haak en natuurlijk Willem Duyn. Dat nummer vond ik vroeger magisch, begin jaren tachtig. Ik kende het dan ook helemaal uit mijn hoofd, ondanks de grote hoeveelheid tekst.

“Nou, Klein Duimpje, doe je vinger naar beneden, jij met je gezeur, jij bent al geweest. Nu eerst Roodkapje. Ieder kind vindt mij een domoor en dat komt me slecht van pas. Ik zag heus wel aan die oren dat het niet mijn oma was. Maar wat moest ik anders zeggen? Ik, Roodkapje ik ben geen held. Ik hoopte dat de wolf bleef liggen, dat wordt er niet bij verteld. En dan gaan we nu naar het lieve, Kleine Geitje luisteren. Ik zit heel de dag in spanning of de wolf m’n broertjes vindt en dan alsmaar in die klok, da’s geen leven voor een kind. Ik heb tevens nog de zorgen als er ‘s avonds wordt gebeld hoe ik bij de deur omhoog klim, dat wordt er niet bij verteld.”

Bij het zien van de hoes (met de artiesten poseren aan de voet van Langnek, precies op die plek dus) bekroop een gevoel van weemoed. Fijn als sommige dingen juist niet veranderen. De Efteling is knap met haar tijd mee gegaan (al had Monsieur Cannibale van mij niet hoeven verdwijnen en hadden de Afrikaanse en Aziatische poppen in Carnaval Festival gewoon zichzelf mogen blijven) en is ook nu voor mij als vader van drie opgroeiende meiden een geweldig uitstapje. Maar ik koester vooral ook de herinneringen die ik als klein manneke en als tiener aan het park heb. Wetende dat mijn kinderen op dit moment hun eigen herinneringen aan het park maken. En om al die herinneringen levend te houden zal ik zo af en toe de elpee opzetten die de Efteling onlangs uitbracht met de wonderlijke klanken van Ruud Bos en René Merkelbach. Want hoe je het ook wendt of keert: De Efteling blijft een Wereld vol Wonderen…

Marcel Donks, muziekliefhebber