In het digitale tijdperk van muziekstreaming is het een zeldzaamheid geworden om volledige albums te beluisteren, maar echte muziekliefhebbers weten dat het luisteren naar een album van begin tot eind een unieke ervaring kan bieden. In de reeks 'Vinyl Verhalen' neemt Dennis Mikhout elke week een iconisch muziekalbum onder de loep. Tijdens deze ontdekkingsreis onthult hij de verhalen achter deze albums, variërend van klassieke studiomeesterwerken tot memorabele live-opnames, ongeacht het genre en tijdperk. Deze week: Skunk van Doe Maar.

Door: Dennis Mikhout

Toen Skunk in 1981 verscheen, kon niemand vermoeden dat dit album de opmaat zou vormen naar een van de grootste pophypes uit de Nederlandse muziekgeschiedenis. Voor Doe Maar was Skunk niet de doorbraakplaat, maar een overgangswerk: het klinkt rauwer, scherper en zelfbewuster dan hun debuut, en tegelijkertijd is dit het album waarop hun unieke mix van ska, reggae en Nederlandstalige pop definitief vorm kreeg. Achteraf bezien is Skunk het moment waarop Doe Maar ophield een cultband te zijn en zijn weg vond richting het massapubliek.

Doe Maar ontstond eind jaren zeventig uit een losse groep muzikanten rond Ernst Jansz met Henny Vrienten als latere spil. In een Nederland dat muzikaal nog sterk leunde op Engelstalige rock, smartlappen en brave cabaret achtige pop, klonk hun combinatie van reggae, een snuif punkenergie en alledaagse Nederlandse teksten nogal afwijkend. Het debuut Doe Maar (1979) werd goed ontvangen, maar het succes (1100 verkochte exemplaren) bleef relatief kleinschalig.

De opnames van Skunk begonnen in juni 1980 en duurden tot september van dat jaar. De band trok de B.M.I. Studio’s in Weert in, een ruimte in eigendom van hun toenmalige platenmaatschappij Telstar. Daar kreeg Doe Maar de kans om hun geluid verder te verfijnen onder omstandigheden die verre van perfect waren.

Producenten en label waren namelijk zeer sceptisch over de commerciële potentie van een tweede Doe Maar-plaat. Platenmaatschappij Telstar, die hun debuut had uitgebracht, zag weinig aanleiding om fors te investeren in een vervolg. Ska en reggae werden nog altijd gezien als nichegenres, zeker in combinatie met Nederlandstalige teksten, en het eerste album had geen grote verkoopcijfers opgeleverd. Binnen het label leefde de vrees dat een tweede plaat zou verdwijnen als 'winkelvulling': aanwezig in de schappen, maar zonder duidelijke doelgroep of verkoopperspectief.

Cruciaal werd de rol van geluidstechnicus Peter Vincent, die al langer samenwerkte met Ernst Jansz en het potentieel van de band wél scherp zag. Vincent geloofde dat Doe Maar muzikaal grote stappen had gezet en dat een tweede album noodzakelijk was om hun geluid te laten rijpen. Samen met Jansz voerde hij intensief overleg met Telstar om studio-tijd los te krijgen, waarbij werd benadrukt dat Skunk geen herhaling van zetten zou worden, maar juist een duidelijke artistieke ontwikkeling zou tonen.

Uiteindelijk stemde het label in, zij het met beperkte middelen en zonder grootse verwachtingen. De opnames moesten efficiënt verlopen en er was weinig ruimte voor experiment of overschrijding van het budget. Die omstandigheden dwongen de band tot focus en discipline. Achteraf bezien werkte die beperkingen in het voordeel van Skunk: het album klinkt doelgericht en compact. Een plaat die zichzelf moest bewijzen zonder steun van de platenmaatschappij.

De opnames verliepen met een hybride aanpak: basis-tracks werden grotendeels live ingespeeld, met de vier kernleden van de band, terwijl overdubs en zangpartijen later werden toegevoegd. Een belangrijk onderdeel van de sessies was de integratie van bassist Henny Vrienten, die in augustus 1980 definitief bij de band kwam Vrienten speelde niet alleen bepalende baslijnen, maar kreeg ook invloed op de songselectie en de muzikale richting.

Van de oorspronkelijke opnamesessies werden verschillende nummers geschrapt en vervangen door nieuwe composities van Vrienten, wat duidelijk maakte dat de band nu echt als collectief opereerde. De dynamiek in de groep werd sterker en het geluid concreter.

Twee sleuteltracks:

‘Sinds 1 Dag of 2 (32 Jaar)’: deze track werd als single uitgebracht en ontwikkelde zich snel tot de definitieve doorbraak. Oorspronkelijk had het nummer die titel, maar radiopresentator Frits Spits doopte het in de airplay om tot het makkelijker te onthouden '32 jaar', wat bijdroeg aan de herkenning. Muzikaal combineert het nummer een lichte groove met een tekst over verliefdheid op ‘latere leeftijd’, typerend voor de spanningsboog die Doe Maar op Skunk hanteert.

'Smoorverliefd' laat horen hoe scherp Doe Maar haar popinstinct inmiddels had ontwikkeld. Na de kenmerkende punkachtige intro volgt een aanstekelijke melodie en een lekkere groove. De tekst is bedrieglijk eenvoudig maar vol van emotionele afhankelijkheid en onzekerheid. Smoorverliefd illustreert hoe Doe Maar op Skunk toegankelijkheid en inhoud weet te combineren, dansbaar aan de oppervlakte, maar een beetje schurend net daaronder.

Hoewel Skunk in eerste instantie geen ongekende hit was, kreeg het album een gestage ontvangst. Het verkocht in 1981 circa 80.000 exemplaren, geen record, maar voor een Nederlandstalige plaat met ska-invloeden wel indrukwekkend. Pas nadat opvolger Doris Day en andere stukken in 1982 uitkwam, kreeg Skunk een tweede leven; het album dook opnieuw de hitlijsten in en stond zelfs weken in de Album Top 100, met één week op nummer 1.

Skunk is daarmee het album waarop Doe Maar evolueerde van interessante undergroundband naar Nederlands popfenomeen in wording. Het combineert ritme en tekst op een manier die voor Nederland onderscheidend was en de weg effende voor het mainstream-succes dat daarna zou volgen. Het was het begin van de massale gekte.