Geertruidenberg – Wie de afgelopen maanden nog niet is binnengelopen bij de bijzondere kunstexpositie in de Geertruidskerk, krijgt daarvoor nog één laatste kans. Tot en met 14 september is ‘14 kunstenaars in Elfhuizen’ te bezoeken. Wat begin juni als een ambitieus experiment begon, blijkt na ruim tien weken een schot in de roos. Veel bezoekers vonden inmiddels de weg naar de monumentale kerk en ontdekten er een verrassende combinatie van schilderkunst, fotografie, glas, papier, textiel, wilgentenen en andere materialen.

Door Tom Rietveld

In De Langstraat besteedden we bij de opening op 10 juni al uitgebreid aandacht aan initiatiefnemer en beeldend kunstenaar Maud Quaedvlieg, glaskunstenaar Ans Bakker en papierkunstenaar Gerry Peene. Maar wie door de kerk loopt, ontdekt dat achter vrijwel ieder kunstwerk een verhaal schuilgaat. Hoog tijd dus om, voordat de deuren van deze expositie sluiten, ook een aantal andere deelnemers beter te leren kennen.

Wethouder tussen de kunstenaars

Op 20 augustus kwam ook wethouder Albert Smit, met onder meer cultuur in zijn portefeuille, een kijkje nemen. Niet voor een vluchtige rondgang: hij nam uitgebreid de tijd om de aanwezige kunstenaars te spreken en hun werk te bekijken.

Juist de combinatie van kunst en historische omgeving sprak hem aan. “Als je hier rondloopt in die fantastische Geertruidskerk, dan is het wel heel bijzonder”, vertelde hij. Sommige werken krijgen volgens hem door hun plaats in het kerkgebouw zelfs iets extra’s. “Hoe sommige exposities en kunstwerken uitkomen in bepaalde hoeken van de kerk: die combinatie vind ik goud waard.”

Smit zegt er trots op te zijn dat cultuur opnieuw deel uitmaakt van zijn portefeuille. “Cultuur kan nog wel wat extra energie en stimulans gebruiken.” Het grote aantal bezoekers aan deze tentoonstelling laat volgens hem zien dat daarvoor belangstelling bestaat. Met activiteiten als Rondje de Berg ontstaat bovendien opnieuw een gelegenheid om ook inwoners die de kerk misschien al jaren kennen, met andere ogen naar het gebouw én naar de kunst te laten kijken.

Fotografie is vooral kijken

Voor Robert Roos begon fotografie als een oude liefde waarop hij na ruim twintig jaar werken in de ICT volledig durfde terug te vallen. In 2010 gooide hij het roer om. Zijn motto vat zijn werkwijze mooi samen: “Fotografie is 80 procent kijken en 20 procent techniek.”

Roos neemt dat experimenteren letterlijk. Een van zijn geëxposeerde werken ontstond met filmrolletjes waarvan de houdbaarheidsdatum al ongeveer veertig jaar was verstreken. Hij kocht ooit een doos vol oud filmmateriaal en besloot niet te voorspellen wat ermee zou gebeuren, maar het gewoon te gebruiken.

Foto’s die hij maakte bij een grote stuwdam in België liet hij vervolgens analoog ontwikkelen. Oneffenheden, vingerafdrukken en andere sporen werden bewust niet weggepoetst. “Die films waren weerbarstig bij het ontwikkelen. Dan wordt het vanzelf een zoektocht naar vorm.”

Roos experimenteert ook met onscherpte, reflecties, het ontwikkelen van film met koffie en oude fotografische afdruktechnieken. Juist dat onvoorspelbare maakt analoog fotograferen voor hem aantrekkelijk. Waar een digitale camera vrijwel onmiddellijk toont wat je hebt gemaakt, blijft bij film nog even de spanning bestaan.

Van schapenwol naar bijna sculpturaal werk

Wie bij het werk van Marianne Mol blijft staan, moet soms even goed kijken waar textiel ophoudt en natuur begint. De natuur is haar grote inspiratiebron: boomschors, structuren, kleuren en vormen vertaalt zij in vilt.

Een groot werk lijkt bijvoorbeeld op berken- of boombast, maar is geen letterlijke kopie. “Als ik een wandeling heb gemaakt of foto’s in de natuur heb genomen, ontstaat er een idee. Maar ik werk dat nooit letterlijk uit.”

Haar basismateriaal is schapenwol. Dat klinkt eenvoudig, maar het proces is arbeidsintensief. Verschillende lagen wol worden op elkaar gelegd, natgemaakt met water en zeep en vervolgens langdurig gewreven. Daarna volgt het rollen – soms honderden keren – waardoor het materiaal krimpt en stevig wordt.

Voor een groot werk moest Marianne zelfs boven op een tafel gaan zitten om overal bij te kunnen. Een gevonden boomstronk bleek later precies de vorm te hebben die het werk nodig had. “Ik zag die boomstronk en dacht: die is voor mij.” Opmerkelijk genoeg was dus eerst het textielwerk klaar en kwam pas daarna het natuurlijke voetstuk.

Haar werk Ontkiemen combineert vilt van schapenwol met gehaakte wollen vormen. Ze werkt soms ook met zijde en andere natuurlijke vezels. Een precies vooropgezet plan heeft ze niet: “Ik laat mij leiden door mijn handen en het materiaal.”

Kunst op aardappelzakken

Ook Pien de Geus van Baarle kiest niet voor de gemakkelijkste ondergrond. Haar kleurrijke landschappen zijn geschilderd op oude aardappelzakken. Die zakken moeten eerst worden voorbereid. Ze worden opgespannen en met beenderlijm behandeld. Omdat het grove materiaal bobbelt, komt er zelfs een strijkijzer aan te pas voordat er behoorlijk op geschilderd kan worden.

“Het is best een moeilijk proces”, vertelt Pien. “Maar ik vind het leuk iets anders te proberen dan wat iedereen doet.” En juist de structuur van zo’n oude zak blijft in het uiteindelijke schilderij zichtbaar en wordt daarmee onderdeel van het beeld.

Landschappen vormen vaak het vertrekpunt. Een reis door Mali leverde bijvoorbeeld beelden, kleuren en indrukken op die later in haar schilderijen terugkwamen. Ze maakt onderweg foto’s, maar schildert niet letterlijk na. “Als je alleen een letterlijke weergave wilt, kun je net zo goed een foto maken.”

Haar voorraad oude aardappelzakken is inmiddels overigens vrijwel op. Misschien meldt zich na dit verhaal nog ergens een aardappelboer met een vergeten stapeltje.

Je moet het zien

Jacqueline Houben noemt zichzelf bescheiden een hobbyfotograaf, maar haar manier van kijken laat zien waarom fotografie ook beeldende kunst kan zijn. Ze schilderde eerder jarenlang, totdat de voorraad doeken thuis zo groot werd dat ze een andere richting koos.

Ze begon met zonsondergangen en ontdekte daarna steeds meer: zonsopkomsten, landschappen, vogels, natuur en avondfotografie.

In de Geertruidskerk toont ze onder meer landschappen uit de Loonse en Drunense Duinen en beelden uit Heusden. Mist boven een heideveld, het licht van straatlantaarns dat in water wordt weerspiegeld, een brug, een molen of een toevallig passerende fietser kunnen opeens het beslissende detail in een foto worden.

“Je moet het zien”, zegt Houben. Dat klinkt eenvoudig, maar misschien is dat precies de essentie. Niet alleen de techniek of camera bepaalt de foto, maar het vermogen een moment op te merken voordat het alweer verdwenen is.

Schilderen vanuit herinnering en intuïtie

Ook Eline Wolterbeek schildert vanuit wat haar onderweg raakt. Haar liefde voor schilderen kreeg jaren geleden een nieuwe impuls tijdens een zomerweek Intuïtieve Ontwikkeling in Frankrijk. Inmiddels schildert ze met tussenpozen al zo’n vijftien tot twintig jaar.

Pas onlangs ontdekte ze dat die belangstelling veel verder teruggaat. Toen haar moeder naar een verpleeghuis verhuisde, ruimden Eline en haar zus het ouderlijk huis op. Daar kwamen oude kindertekeningen tevoorschijn, zorgvuldig door haar moeder bewaard en voorzien van naam en leeftijd.

“Dat is echt een cadeautje als je dat vindt.” Het liet haar zien dat kleur en tekenen kennelijk altijd al onderdeel van haar waren geweest.

Wolterbeek werkt graag vanuit natuur, bomen, water, waterranden en weerspiegelingen. Haar schilderijen bevinden zich ergens tussen figuratief en abstract. Ze noemt het zelf graag semi-abstract: herkenning blijft mogelijk, maar de werkelijkheid hoeft niet nauwkeurig gekopieerd te worden.

Nog acht heel verschillende handschriften

De verscheidenheid van de expositie blijft misschien wel haar grootste kracht. Cecile van Schie-Langenberg houdt met wilgentenen het oude mandenvlechtersambacht levend en vertaalt eeuwenoude technieken naar hedendaagse gebruiks- en kunstobjecten. Christel Jong creëert met zachte kleurovergangen schilderijen waarin stenen lijken te glanzen en zeepbellen bijna tastbaar worden.

Gerda de Jong zoekt juist de stilte van het minimalisme, met een beperkt kleurenpalet en zorgvuldig met de hand bewerkte materialen. Merian Vishers begon met boetseren, ging schilderen en beeldhouwen en maakte ook kennis met bronsgieten. Zij maakt zowel abstract werk en landschappen als realistische voorstellingen.

Bij Patty Rijckaert draait het om communicatie: haar mixed-mediawerken gaan over onze vaak onvolmaakte pogingen om elkaar via woorden en beelden te bereiken. Gebruikte papieren, teksten, aantekeningen en geprinte lettervormen worden versneden en opnieuw samengebracht.

René de Bruijn zoekt weer een heel andere vrijheid. Zijn grote abstracte schilderijen ontstaan uit beweging, transparante lagen, kleurvelden en spontane energie. “Ik schilder niet om iets uit te leggen, maar om te ontdekken.”

En dan zijn er natuurlijk nog Ans Bakker, die in glas zoekt naar organische vormen, beschutting en herinnering; Gerry Peene, die afvalpapier tot haast steenachtige kunst transformeert; en Maud Quaedvlieg, de drijvende kracht achter de tentoonstelling, die in haar eigen schilderijen de wereld net boven en onder het wateroppervlak onderzoekt.

Nog even binnenlopen

Juist die enorme verscheidenheid maakt ‘14 kunstenaars in Elfhuizen’ tot meer dan veertien afzonderlijke presentaties. De historische Geertruidskerk blijkt geen toevallige expositieruimte, maar een decor waarin de kunstwerken elkaar én het gebouw versterken.

Wie nog niet is geweest, heeft dus nog maar enkele weken. En misschien is dat de beste manier om deze tentoonstelling te ervaren: zonder haast binnenlopen, niet alles direct willen begrijpen en gewoon kijken.

Zoals fotograaf Robert Roos het zegt: fotografie bestaat voor tachtig procent uit kijken. Eigenlijk geldt dat in deze kerk voor alle kunst.

‘14 kunstenaars in Elfhuizen’ is nog te bezoeken tot en met 14 september 2026 in de Geertruidskerk in Geertruidenberg.