Vorig jaar liep Johan Verlouw voor het eerst de Nijmeegse Vierdaagse. Na afloop wist hij één ding zeker: dit nooit meer. Toch stond hij deze zomer opnieuw aan de start. Voor De Langstraat schreef hij een persoonlijk verslag van vier dagen wandelen, bijzondere ontmoetingen, pijnlijke voeten en de sfeer langs het parcours.

Vorig jaar liep ik op mijn 55e voor het eerst de Nijmeegse Vierdaagse. Na afloop wist ik het zeker: dit was meteen de laatste keer. Met 40.000 mensen hetzelfde rondje lopen? Dat hoefde voor mij niet nog eens.

Toch besloot ik dit jaar een uitzondering te maken. Mijn vaste wandelmaatje Jozef de Bont had een mooi logeeradres in Nijmegen geregeld. Dat leek me een prima reden om nog één keer mee te doen. Helaas kreeg Jozef geen startbewijs. Ik stond op het punt mijn eigen ticket door de shredder te halen, toen een collega vroeg of ik samen met haar wilde lopen. Voor haar zou het de eerste Vierdaagse worden. Waarom ook niet, dacht ik. Een paar dagen voor de start begon ik er zelfs weer zin in te krijgen.

Blauwe dinsdag: Overbetuwe

Veel slapen zat er niet in. Om 3.15 uur ging de wekker, maar ik was al veel eerder wakker. Samen met mijn collega reed ik naar station ’s-Hertogenbosch Oost om de trein naar Nijmegen te nemen. Rond zeven uur liep ik met duizenden wandelaars over de Waalbrug, waar de brandweer ons voor de grap een flinke douche gaf.

De eerste dag verliep goed. Onderweg hoorde ik meerdere keren hetzelfde nummer uit de luidsprekers en maakte ik de nodige sanitaire stops. Rond half twee kwam ik over de finish. Daar wachtte echter een tegenvaller: mijn collega had nog zo'n tien kilometer te gaan. Na veertig kilometer wandelen betekende dat nog bijna twee uur wachten op een bankje. Met een koude Radler en de muziek van Dries Roelvink op de achtergrond vroeg ik me af waar ik eigenlijk weer aan begonnen was.

Roze woensdag: Wijchen

Ook de tweede nacht bracht weinig slaap. Op het station in Den Bosch zorgden de gesprekken met andere wandelaars voor de nodige humor, maar eenmaal bij de start was het opnieuw lang wachten. Tijdens de tocht raakte ik aan de praat met Bert uit Dordrecht, een ervaren Vierdaagseloper die geld inzamelde voor daklozen in zijn stad. Zijn verhaal maakte indruk en ik besloot zijn actie te steunen.

De laatste kilometers door Nijmegen voelden eindeloos. Mijn kleine tenen begonnen flink op te spelen en na veertien uur onderweg te zijn geweest, was ik blij dat ik eindelijk weer thuis was.

Groene donderdag: Zevenheuvelenweg

De derde dag begon opnieuw vroeg. Mijn collega had inmiddels zoveel tape om haar voeten dat haar schoenen nauwelijks nog pasten. Zelf keek ik uit naar de beroemde Zevenheuvelenweg. Veel wandelaars zien daar tegenop, maar ik vond deze etappe eigenlijk verrassend goed te doen.

Langs de route stonden campers opgesteld alsof het de Tour de France was. Ik liep tussen Noorse militairen en een uitbundige groep Friese vriendinnen, terwijl een helikopter boven het parcours cirkelde. Ik nam deze dag geen lange pauze en bleef lekker in mijn ritme. Dat zorgde ervoor dat ik ruim op tijd de finish bereikte.

Oranje vrijdag: Via Gladiola

Voor de laatste dag besloten mijn collega en ik ieder ons eigen tempo te lopen. Ik wilde na de finish zo snel mogelijk weg uit de drukte. De wachtrij bij de start was inmiddels bijna een uur lang en mijn tenen deden inmiddels behoorlijk pijn.

Onderweg wachtte familie mij op voor een korte pauze met een appelflap. Mijn Pearl Jam-shirt leverde nog enkele leuke gesprekken op, al had ik daar op dat moment eigenlijk weinig energie meer voor.

Rond half vier bereikte ik de finish op de Via Gladiola. Tussen de duizenden toeschouwers haalde ik mijn Vierdaagsekruisje op en kon ik nog net de trein van vier uur naar huis halen.

Vorig jaar wist ik zeker dat ik nooit meer zou terugkomen. Dit jaar dacht ik onderweg nog even gekscherend: zal ik mijn kruisje om laten smelten? Eenmaal thuis wist ik het antwoord al.

Nu heb ik stiekem alweer zin in volgend jaar.

Johan Verlouw