Ouders bemoeien zich tegenwoordig vergaand met wat er in de klas van hun kinderen gebeurt. De strenge onderwijzers uit de 16de en 17de eeuw zouden daar maar wat vreemd van hebben opgekeken.
Door Jan Hoek
Kinderen stonden toen, vanaf het moment dat ze op school kwamen onder gezag van de meester. Die had de vrijheid en de macht om te straffen; noch de overheid, noch de ouders hadden zich daarmee te bemoeien. Dat kwam ook tot uiting in het belangrijkste ‘gereedschap’ van de meester. 'Ten eerste sal hy hebben een fraeye handtplacke, met een wacker roede van wilghen tacke’. Het is dan ook niet vreemd dat leerlingen met de nodige tegenzin naar school gingen. Dat concludeerde ook de invloedrijke Engelse toneelschrijver, dichter en acteur William Shakespeare (1564-1616). Hij had het in zijn toneelstuk ‘As you like it’ over een jongen die zich met grote tegenzin naar school begeeft. In zijn woorden: 'Creeping like a snail’, vrij vertaald: ‘als een slak naar school’. Niettemin was dit schoolregime buitengewoon succesvol. Niet alleen in geletterdheid, maar ook met rekenen werd in de 16de eeuw in de Lage Landen een niveau bereikt dat andere Europese landen soms pas eeuwen later haalden.
Binding kerk-onderwijs
Al in 1570 was er sprake van onderwijs in Raamsdonk, waar ene Goris Janssen de schoolmeester was. Zijn naam komt dat jaar voor het eerst voor in een verslag van Fransiscus Sonnius, de Bisschop van Den Bosch. Door wie hij is benoemd en waar de school zich bevond is in de archieven niet terug te vinden. Volgens het Rijksarchief in Noord-Brabant wordt bij acte van 23 januari 1577 Gerbrant Claessen benoemd als nieuwe schoolmeester. Een benoeming onder voorwaarden, want als de gemeente erin zal slagen een predikant te vinden die de school wil accepteren of als Claessen ‘de kinderen rebels laat lopen’, zal hij ontslagen worden. De binding kerk-onderwijs is duidelijk: een zielzorger genoot de voorkeur. Die werd gevonden als in 1597 pastoor Jan van Giessen wordt aangesteld als schoolmeester. Dat blijkt uit een overeenkomst die hij met ‘die van Raemsdonck’ sloot betreffende het door hem uit te oefenen ambt van ‘pastoir of predicandt’ en de door hem te houden school ‘van Bamis aff aen alle jaeren tot Meydach toe’, hetgeen zoveel betekent als doorlopend van oktober tot mei. In 1609 kwam een einde aan de invloed van de Katholieke kerk en bepaalden gereformeerden de geloofsrichting. In dat jaar wordt de gereformeerde schoolmeester Matthijs Pieters aangesteld.
Fransch- en Neder Duitsche school
De gereformeerde kerk alsook de organisatie van het onderwijs waren in de 18de eeuw een voortvloeisel van de richtlijnen die waren vastgesteld tijdens en na de Synode van Dordrecht in 1618/19. Voor het onderwijs gold het ‘Reglement van burgemeesteren en de raadt op de Nederlandsche schoolmeesteren en haar diensten’. Na de Vrede van Münster in 1648 was het katholieken verboden om actief te zijn in het bestuur of het onderwijs. Alleen degenen die belijdende leden waren van de gereformeerde godsdienst, zoals dat in de ‘Drie Formulieren van Enigheid’ (o.a. de Heidelberger Catechismus) werd beschreven, kregen toestemming om ‘school te houden en plaats te nemen in het ‘plaatselijk bestuur’. Het toezicht op het onderwijs was aan predikanten toevertrouwd. Dat was ook de situatie in Raamsdonk. Zo werd in 1787 de 26-jarige Hermanus Docters van Leeuwen in Raamsdonk als onderwijzer benoemd en stichtte daar de ‘Fransch- en Neder Duitsche school’. Een van de initiatiefnemers van de school was Samuel Magnet, dominee van de Lambertuskerk, die in de naast de school gevestigde pastorie aan de Molenstraat 39 woonde. Samen zorgden onderwijzer Docters van Leeuwen, die daarnaast ook koster van de Lambertuskerk was, en dominee Magnet voor een gedegen onderwijs, dat van veel hoger niveau was dan men van een dorpsschool zou verwachten. De scholieren leerden er naast de Franse taal ook Nederlands lezen en schrijven, bijbel-kennis, aardrijkskunde en vaderlandse geschiedenis. De oudere leerlingen kregen in het Frans les. Hermanus was getrouwd met de Utrechtse Anna van Cuijlenburg. Zij was de zus van de geliefde societyschilder Cornelis van Cuijlenburg II (1758-1827). Hij logeerde tussen 1787 en 1820 regelmatig bij zijn zus. Tijdens deze logeerpartijen heeft hij diverse schilderijen en tekeningen van Raamsdonk gemaakt.
Scholen in 1887
De gemeente Raamsdonk telde in 1887 twee scholen voor lager onderwijs met in totaal twee hoofdonderwijzers, vier onderwijzers en één onderwijzeres. Op de scholen zaten in totaal 246 jongen en 52 meisjes, waarvan er respectievelijk 138 en 34 kosteloos werden onderwezen. Het hoofd der school ontving een jaarwedde van 1000 gulden, één onderwijzer verdiende 700 gulden en de andere 100 euro minder. De onderwijzeres, die lesgaf in ‘nuttige handwerken’, verdiende 75 gulden per jaar. Haar leerlingen bestond uit 75 jongens en 94 meisjes. Aan schoolgeld werd dat jaar 719 gulden betaald, terwijl de vergoeding van het Rijk ƒ 1278,66 bedroeg. Een gulden had destijds een koopkracht die vergelijkbaar is met ongeveer 11 à 12 euro.
Adrianusgebouw en De Hoge Waai
Op 11 september 1907 arriveerden de eerste Zusters van Liefdadigheid van Jezus en Maria, Moeder van Goeden Bijstand, gevestigd te Schijndel in Raamsdonk. Meisjes ontvingen sinds 1907 onderwijs van de Zusters van Schijndel in het Adrianusgebouw. Op 16 september van dat jaar begon de eerste schooldag met twee leerkrachten en 90 leerplichtige meisjes. Hoofd van de meisjesschool werd zuster Aquina Priems, die ondersteuning kreeg van lekenonderwijzeres Rika van Alphen. Hoofd van de bewaarschool werd zuster Alphonsus. Op 30 december kwam zuster Joanna als derde onderwijzeres, twee weken later kwam zuster Cornelie als onderwijzeres van de naaischool. In 1953 werd de naaischool bij gebrek aan geschikt personeel gesloten. De zusters waren voorzien van een ronde kap. In 1955 mocht de ‘gruwelijk hete’ kap af. De inwoners van Raamsdonk zeiden toen: ‘nu heeft elke zuster een eigen gezicht’. Gemiddeld bleven de zusters vijf tot tien jaar op één plaats. Zuster Richarda was daarop een uitzondering; zij is maar liefst 27 jaar werkzaam geweest in Raamsdonk. In 1937 breidden de Zusters van Liefde het Adrianusgebouw aan het Kerkplein uit met een bewaar- ofwel kleuterschool, genoemd naar de Heilige St. Agnes. Op 1 maart 1938 werd de nieuwe school ingewijd door pastoor Van Heeswijck. Het nabijgelegen St. Leogebouw, waarin de voormalige katholieke jongensschool was gevestigd, was een initiatief van deze pastoor. Op 1 september 1963 fuseerden de jongen- en meisjesschool en werd de uit zes klassen bestaande meisjesschool opgenomen in de Gemengde Lager School. Hoofd van de school werd Theo van Dijck, die daarvoor hoofd van de jongensschool was. In 1971 kwamen alle leerlingen met de ingebruikname van de RK-basisschool De Hoge Waai, genoemd naar een hoger gelegen stuk weiland, onder één dak. Toen een jaar later bejaardenhuis Het Hoge Veer in Raamsdonksveer officieel werd geopend raakte het Adrianusgebouw haar oorspronkelijke bestemming kwijt. Voor de Zusters van Schijndel zat het werk er daardoor op en op 16 april 1972 namen ze afscheid van het toen 1.929 zielen tellende dorp Raamsdonk.
Landbouwhuishoudschool
In juli 1955 besluit Noord-Brabantse Christelijke Boerenbond (NCB) een Landbouwhuishoudschool te vestigen in Raamsdonk. Daarvoor koopt de NCB in november van dat jaar een bijna vijf hectare groot bouwterrein aan de Kerkstraat voor een bedrag van 9.300 gulden van Hendrikus en Hubertus de Bont. Het zou echter nog tot september 1959 duren voordat de eerste lessen op de Landbouwhuishoudschool werden gegeven. Daarvoor was aan de Cornelis Oomestraat, achter de huidige basisschool De Hoge Waai, een prefab gebouw, met veel asbestplaten, neergezet met in totaal drie lokalen. Aanvankelijk zou de dagelijkse leiding van de school in handen liggen van een van de Zusters van Schijndel. De daarvoor aangewezen zuster Berrigna overleed echter voortijds, waarna de congregatie geen mogelijkheid meer had een andere zuster te sturen. Het woord Landbouw in de naam werd in 1968 losgelaten, waarna de naam gewijzigd werd in Lager Huishoud- en Nijverheid Onderwijs (LHNO). In 1972 werd het aantal leerjaren verhoogd van drie naar vier en werd de school uitgebreid met twee klaslokalen. Op 1 augustus 1973 werd de toen 36-jarige Cees Kivits directeur van de LHNO. Daarvoor werkte hij als leerlingbegeleider en leraar algemene vakken op de LTS in Uden. De NCB vond het nodig om iemand vanuit het technisch onderwijs bij de meisjes te zetten en Kivits ging die uitdaging aan. Door de uitbreiding van de schooljaren was er al snel ruimtetekort en werden er vanaf 1975 lokalen en een overblijfruimte gehuurd in het Ontmoetingscentrum. Het was een regionale school met naast leerlingen uit eigen gemeente ook uit Waspik, Hank, Dussen en Sleeuwijk. Van de school kwam het hoogste aantal doorstromers van de NCB naar het MBO. (Wordt vervolgt)
