Willem van Oranje (1533-1584), ook bekend als Willem de Zwijger, was de belangrijkste leider van De Opstand, beter bekend als de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648). Als ‘Vader des Vaderlands’ leidde hij de opstand van de Nederlandse gewesten tegen de streng katholieke Spaanse koning Filips II. Het verzet begon naar aanleiding van een belastingmaatregel en de harde vervolging van protestanten. In 1580 doet Filips II Willem van Oranje in de ban, waardoor deze vogelvrij wordt verklaard. De koning zet zelfs een prijs op het hoofd van de prins van oranje van 25.000 gouden kronen, wat tegenwoordig een bedrag van ongeveer 3 miljoen euro zou zijn. De fel katholieke Balthasar Gerardts vermoordt op 10 juli 1584 in het Prinsenhof in Delft Willem van Oranje met enkele pistoolschoten. Willem sterft, zijn laatste woorden zijn ’Mon Dieu, ayez pitié de mon âme… Mon Dieu, ayez pitié de ce pauvre peuple.’ ('God, wees mijn ziel genadig… God ontferm u over dit arme volk’.) In een resolutie nam de griffier van de Staten-Generaal de beroemde laatste woorden op. Of dit daadwerkelijk de laatste woorden van Willem van Oranje waren, is echter onzeker. Wel is zeker dat Balthasar Gerardts niet kon genieten van de door Filips II toegezegde geldelijke beloning. Hij werd gevangengenomen en veroordeeld tot een gruwelijke doodstraf door foltering en executie.

Na de moord op Willem van Oranje op 10 juni 1584 zochten de Staten-Generaal steun bij de koningin van Engeland. Zij weigerde een Nederlandse koningstitel, maar zegde met het Verdrag van Nonsuch (20 augustus 1585) steun toe aan de Verenigde Provinciën. Dit Verdrag bepaalde dat zij een gouverneur-generaal aan zou stellen die haar (katholieke) vertrouwen genoot. Als reactie op de Spaanse opmars stuurde Elizabeth I in december 1585 de graaf van Leicester, Robert Dudley (1532-1588), met een troepenomvang van 1.000 ruiters en 6.350 soldaten, naar de Nederlanden. In ruil daarvoor kregen de Engelsen medezeggenschap op bestuurlijk en militair terrein én kregen ze Brielle, Fort Rammekens en Vlissingen in onderpand. Spanje beschouwde het verdrag als een oorlogsverklaring, wat jaren later leidde tot de poging middels de Spaanse Armada Engeland binnen te vallen. Een mislukte poging, want de Engels-Nederlandse alliantie zou in juli/augustus 1588 de Spaanse Armada verslaan. Dudley bleek een slecht militair leider en verschillende steden gingen verloren. Onder zijn bevel werd in september 1586 de Slag bij Warnsveld, in Engeland beter bekend als de ‘Battle of Zutphen’, tegen de Spanjaarden verloren. Ook was hij een jaar later verantwoordelijk voor de val van Deventer. Deze miskleunen waren fnuikend voor de Engels-Nederlandse coalitie. Daarnaast ging het gerucht dat hij op last van Elizabeth vredesonderhandelingen met de Spaanse veldheer Parma had belegd. Hierdoor werd Dudley eind 1587 door raadspensionaris Johan van Oldenbarnevelt het bevel over het leger ontnomen en werd hij gedwongen de Nederlanden te verlaten.

Opperbevelhebber Willoughby

Nadat Robert Dudley eind december 1587 gedesillusioneerd terugkeerde naar Engeland, nam Peregrine Bertie, de 13de baron van Willoughby (1555-1601), het opperbevel van de Engelse troepen in de Nederlanden over. De (huur)soldaten van de garnizoenen in Staatse dienst waren zeer ontevreden. Naast een slechte bevoorrading hadden ze al maandenlang geen soldij ontvangen, waardoor het wantrouwen richting de Staten-Generaal groeide. In 1588 brak er onder de soldaten van het garnizoen Geertruidenberg een grootschalige muiterij uit. Het zou uitdraaien op een van de meest beruchte militaire schandalen uit de Tachtigjarige Oorlog. Aangezien Willoughby veel aanzien genoot onder de soldaten vroegen zowel de Staten-Generaal als de jonge prins Maurits hem te bemiddelen om een opstand te voorkomen. Op 13 mei 1588 arriveerde hij in Geertruidenberg, op het moment dat er de nacht ervoor een plan om de stad door verraad aan Spanje uit te leveren was ontdekt. De verdachten, een hopman (vergelijkbaar met de huidige rang van kapitein) en een soldaat van het garnizoen, werden onthoofd. Willoughby wist het garnizoen te bewegen nog enige maanden op soldij te wachten. Aangezien de huursoldaten alleen naar hem wilden luisteren, waren de Staten-Generaal en prins Maurits, als heer van Geertruidenberg, genoodzaakt het opperbevel van de stad aan Willoughby over te dragen. Hoewel deze beloofd had de stad voor de prins te behouden, was hij door het enorme geldgebrek niet in staat het ‘krijgsvolk’ tot bedaren te brengen. Daarom eiste hij niet minder dan drie tonne goud ofwel 31 maanden soldij. In juli 1588 werd door de Staten van Holland 216.000 gulden aangeboden, mits hij de eed van trouw zwoer aan de Staten Generaal en prins Maurits. Dit aanbod werd door het garnizoen geaccepteerd, maar werd al snel weer geschonden door de burgerij te ontwapenen en schepen op de rivieren te plunderen.

Parma en Wingfield

Willoughby werd door velen verdacht een dubbelzinnige rol te spelen, vooral toen hij eind 1588 het garnizoen van de stad versterkte met een groot aantal Engelse soldaten. Het geduld van de Staten-Generaal was ten einde en besloten werd in maart 1589 de stad Geertruidenberg te gaan belegeren; vooral omdat men dacht dat het garnizoen met Alexander Farnese (1545-1592), beter bekend als de hertog van Parma, onderhandelde. Later bleek dat een vals bericht te zijn. Willoughby was inmiddels teruggekeerd naar Engeland en had zijn zwager John Wingfield belast met het opperbevel van het garnizoen in Geertruidenberg. Wingfield weigerde de stad over te geven aan prins Maurits onder het voorwendsel dat hij de stad voor de Koningin van Engeland verdedigde. De stad Dordrecht had een brief aan de bezetter gericht om hem tot reden te brengen, maar die brief was ‘sonder lesen by Wingfield openbaerlyk aen stucken gescheurt’. De Staten van Holland lieten in maart de stad belegeren. Door het wassende rivierwater en de nadering van Parma’s leger, die op 8 april bij Breda een ontzettingsleger van ruim 4.000 man concentreerde, was Maurits genoodzaakt op te breken. De inname van Geertruidenberg op 10 april 1589 staat ook wel bekend als het Engelse verraad van de vestingstad. Op die datum gaf de Engelse gouverneur Sir John Wingfield de stad zonder slag of stoot over aan het Spaanse leger. Deze schandelijke daad is bekend geworden onder de naam ‘Bergverkoopery’. Het is bekend dat Parma zich juichend van vreugde in de stad begaf. Het was dan ook de moeite waard om na twaalf jaar bewind de zeer belangrijke Hollandse stad in zijn macht te hebben.

De Bergverkopers

De officieren en manschappen van de muitende bezetting van Geertruidenberg, de Bergverkopers genoemd, werden op een door de Staten-Generaal uitgevaardigd plakkaat, 'de eerlose, eervergeten schelmen, rebellen ende verraders’, met naam genoemd en bij verstek ter dood veroordeeld. Wie een Bergverkoper gevangennam, kon rekenen op een geldelijke beloning: voor elke soldaat ‘vyftich guldens en voor elke officier hondert guldens’. Enkele maanden later werd aangekondigd dat zelfs degenen die enige omgang met ‘Bergverkopers’ zouden hebben, als medeplichtigen werden aangemerkt. Na een snel gepubliceerde (niet volledige) lijst met daarop ongeveer 560 namen van Bergverkopers, besloot een groot aantal van hen in dienst te treden van het leger van Parma; een deel van hen zou later omkomen op het strijdveld. Zo leverden Staatse militairen in 1590 bij Nijmegen een gevecht met soldaten van Parma; zij doden er tachtig, waaronder vijf Bergverkopers. Op 29 mei 1589 werd provoost Lodewijk van Brunswijk in Den Haag als eerste Bergverkoper opgehangen. Zijn vrienden vroegen of ze zijn lichaam mochten begraven, maar van de Staten-Generaal moest hij als waarschuwend voorbeeld aan de galg blijven bungelen. Op de lijst staan de bevelhebber John Wingfield en zijn Engelse onderbevelhebbers de kapiteins Thomas Lommesen, William Thomas en Charles Honings vermeld. De namen van de andere ‘Bergverkopers’ zijn echter niet Engels. Het garnizoen werd door Elisabeth I betaald, zodat werd aangenomen dat de ‘Bergverkoperij’ door Engelse soldaten gepleegd is. Het merendeel blijkt echter uit de Zuidelijke Nederlanden te komen. Op de lijst staan familienamen met daarachter plaatsnamen als Breda, Oosterhout, Den Bosch, Eindhoven, Maastricht, Antwerpen, Lier, Turnhout Diest en Brussel. Ook typische soldatennamen komen voor zoals van Henrik van de Kieboom alias ‘Neus Luytenant’, Lenaert van Baerl alias Sprong, wachtmeester Floris van Dorn alias Lange Floor, de Cleyn Bijle, Dach-Verlies, Spillebeen, Magerheyn en zelfs Hans Bordeel. Een bekende ‘Bergverkoper’ is kornet Gerard Abrahams van Houwelingen die door dit verraad de beruchte bijnaam ‘Leckerbeetje’ kreeg, destijds synoniem voor smeerlap of landverrader. Hij overleed op 5 februari 1600 op de Vughter-heide tijdens de zogenoemde ‘Slag van Leckerbeetje’, een groepsduel tussen Spaansgezinde Ridders uit De Bosch en Staatsgezinde Franse huurlingen.

Tal van namen van Bergverkopers komen voor in ‘Een Nieu Liedeken van de Berchse Soldaten, hoe sy de Stadt aen Parma vercochten’. In het Nieuw Geuzenliedboek uit 1874 van Hendrik Jan van Lummel staat als inleiding van het lied ‘Seght ghy Bergsche soldaten’: ‘Men noemde de vreemde soldaten, die Geertruidenberg den 10 April 1589 op eene verraderlijke wijze aan Parma in handen speelden, Bergverkoopers. De haat des volks tegen hen was des te groter, omdat Geertruidenberg tot de bezittingen des Prinsen van Oranje behoorde en zij door niets gedrongen geweest waren om de stad over te geven.

Tekst: Jan Hoek

Bronnen: ‘Geschiedenis van Geertruidenberg’, C.J. Mollenberg, 1899; British History Online; Jaarboek De Oranjeboom 57 (2004), ‘Oorlog in en om Geertruidenberg 1573-1593’, Kees Schulten); Nationaal archief; ‘Geertruidenberg. Hollands oudste stad, Bas Zijlmans, 1989; Delpher: maandschrift ‘Historia’, jrg. 11, 1946.