Jacobus (Koos) van der Houwen werd op 26 november 1909 geboren in IJsselmonde, toen een zelfstandige gemeente en tegenwoordig een groene wijk in de gemeente Rotterdam. Hij was zoon van Aart Pieter van der Houwen, gemeentelijk opzichter/bouwkundig inspecteur en Neeltje Cornelis Vink. Na een opleiding tot officier aan de School voor reserveofficieren der Pontonniers, werd hij op 18 april 1932 bij Koninklijk Besluit no. 50 benoemd tot reserve tweede luitenant bij de Pontonniers en Torpedisten, later vallend onder de Genie. Tijdens de Tweede Wereldoorlog toonde hij zich strijdvaardig en was hij actief in het verzet. Na de oorlog vestigde Van der Houwen zich met zijn gezin in Geertruidenberg, waar hij in 1974 een van de oprichters van de Oudheidkundige Kring ‘Geertruydenberghe’ (OKG) was; vanaf de oprichtingsdatum was hij zeven jaar voorzitter van deze vereniging met ‘hart voor historie’.
Pontonniers en torpedisten
De taak van de pontonniers was het leggen van bruggen over waterwegen voor het transport van legers. Later werden de torpedisten toegevoegd, die als taak hadden het leggen of verwijderen van mijnversperringen onder water. In 1927 kwam het Korps Pontonniers en Torpedisten als één korps onder het wapen van de Genie te vallen. In augustus 1939 werd Jacobus van der Houwen, inmiddels bevorderd tot reserve eerste luitenant, gemobiliseerd en aangesteld op het Depot van de pontonniers en torpedisten in Dordrecht. Daar diende hij bij de 1e Depotcompagnie, die in een schoolgebouw in de wijk Krispijn was gelegerd. Deze compagnie bestond uit drie officieren, 24 onderofficieren, 60 korporaals en 333 soldaten. Van der Houwen was op 10 mei 1940 ‘officier achterwacht piket’, hetgeen betekent dat hij als onderofficier ‘standby’ moet staan om op korte termijn, binnen 30-45 minuten, ingezet te kunnen worden bij incidenten.
Duitse parachutisten
Dordrecht was voor de Duitsers van wezenlijk belang. Men wilde beide bruggen over de Oude Maas intact in handen krijgen en daaromheen een stevig bruggenhoofd bouwen. In de vroege ochtend van 10 mei 1940 landden er ca. honderd Duitse parachutisten van de 3e Compagnie van het 1e Regiment Valschermjagers ten westen van de wijk Krispijn, in een open veld dat bekend stond als De Polder. De gelande parachutisten kwamen direct in gevecht met Nederlandse troepen die het Dordtse stationsemplacement bewaakten, dat ten noorden van de Duitse landingszone lag. Niet veel later moesten ook de pontonniers zich in de strijd mengen. De sterkte van het kantonnement Dordrecht was in mei 1940 ruim 1.450 militairen, waarvan ca. 1.200 in enige mate geoefend hadden. De overige waren bij het uitbreken van de oorlog slechts enkele dagen onder de wapenen en dus niet inzetbaar; het betrof de jongste lichting van de ‘schoolcompagnie’ die op gebied van oorlogsvoering en wapeninzet niet of nauwelijks getraind waren; tijdens de opleiding ging verreweg de meeste aandacht uit naar hun specialistische genie-taak ofwel het bruggen leggen. Desondanks toonden de inzetbare pontonniers tijdens de meidagen een verrassende en moedige inzet. Na een telefoontje op 10 mei dat er Duitse parachutisten waren geland, ging de burgemeester van Dordrecht J. Bleekers, polshoogte nemen bij het Van Baerleplantsoen in de wijk Krispijn. Vanuit een taxi ziet hij op een kruising een gewonde burger liggen. Op het moment dat ze stopten om hulp te verlenen, worden ze door Duitse parachutisten onder vuur genomen. Hierbij raakte de burgervader gewond aan de rechterschouder.
Militaire Willemsorde
De militaire inzet op 10 mei 1940 ging Jacobus van der Houwen zo goed af dat hij bij Koninklijk Besluit op 15 juni 1946 benoemd werd tot Ridder 4e klasse in de Militaire Willemsorde. De Willemsorde is de oudste en hoogste militaire onderscheiding die op 30 april 1815 werd ingesteld door koning Willem I. De tekst bij de onderscheiding voor Van der Houwen luidde: ‘Heeft zich in den strijd door het bedrijven van uitstekende daden van moed, beleid en trouw onderscheiden door met slechts met karabijn bewapende pontonniers en matrozen, te zamen ter sterkte van ongeveer twintig man, nabij Krispijn te Dordrecht, Duitsche valschermgroepen, die met verscheidene mitrailleurs in stelling waren gekomen, in de flank aan te vallen. Hij heeft daarbij de Duitschers zware verliezen toegebracht en hun mitrailleurs veroverd. Later heeft hij andere vijandelijke mitrailleur-opstellingen, eveneens op moedige en beleidvolle wijze aangevallen en opgeruimd en ook hierbij Duitsche mitrailleurs buitgemaakt. Verder heeft hij nog met zeven man een Duitsche afdeeling van zestig man overvallen en krijgsgevangen gemaakt.’ Door sommige geschiedschrijvers wordt dat laatste overigens wat genuanceerder beschreven. Een deel van de gevangen genomen Duitse militairen zou zich, omdat ze geen munitie meer hadden, vrijwillig hebben overgegeven om daarmee zinloze verliezen te voorkomen. Gedurende het vervolg van de Tweede Wereldoorlog was Van der Houwen actief in het verzet, waarvoor hem na de oorlog het Verzetherdenkingskruis werd toegekend. Het betreft geen koninklijke, maar een nationale onderscheiding die werd ingesteld bij Koninklijk Besluit (nr. 104) op 19 december 1980 ter gelegenheid van de 35e viering herdenking van de bevrijding. De onderscheiding is bestemd voor deelnemers aan het verzet tegen de bezetters van Nederlands grondgebied in de Tweede Wereldoorlog. In totaal hebben 18.300 mensen het kruis aangevraagd; aan 15.300 van hen is het kruis toegekend.
Ereteken Langdurige Dienst
Na de oorlog vestigt Jacobus van der Houwen, inmiddels beroepsofficier, zich met zijn gezin in Geertruidenberg. Bij koninklijk Besluit (nr. 30) van 12 april 1960 werd hij benoemd tot luitenant-kolonel der Genie en bij Koninklijk Besluit (nr. 29) van 26 augustus 1968 wordt Van der Houwen eervol ontslagen uit de militaire dienst. Naast de Militaire Willemsorde en het Verzetherdenkingskruis ontving hij ook de onderscheiding Officier in de Orde van Oranje-Nassau en is hij in het bezit van het Ereteken voor Langdurige Dienst als officier met het jaartal XXXV voor 35 jaar trouwe dienst. In werkelijkheid had hij 38 jaar gediend. Nadat zijn moeder Neeltje Cornelia op 19 februari 1955 was overleden en zijn vader later niet meer zelfstandig kon wonen, heeft hij hem naar Geertruidenberg gehaald. Zijn gezin verzorgde Aart Pieter zelf, die later nog enige tijd woonde in St. Agnes, waar hij op 85-jarige leeftijd overleed. Jacobus van der Houwen was niet alleen medeoprichter en de eerste voorzitter van de OKG, maar ook voorzitter van het College van Kerkmeesters van de Protestantse Kerk Nederland (PKN) van Geertruidenberg. Hij toonde zich een liberale en ook gelovige en zorgzame hoeder voor alle inwoners van de toenmalige gemeente Geertruidenberg; hij deed veel huisbezoeken en loste, binnen zijn mogelijkheden, privéproblemen op voor gezinnen in zijn woongemeente. Jacobus van der Houwen overleed op 21 juli 1994 en is begraven op de christelijke begraafplaats ‘Slagenland’ in Geertruidenberg.
Tekst: Jan Hoek
Bronnen: websites stichting museum 1940-1945, gevestigd in Dordrecht, zuidfront-holland.nl en streekarchiefijsselmonde.nl
