Geertruidenberg – Jan de Jongh (76) groeide op tussen de schepen en rivieren, voer jarenlang met zijn ouders door heel Nederland en Frankrijk en werkte later voor Rijkswaterstaat. Nu hij met pensioen is, koestert hij niet alleen zijn herinneringen, maar ook een bijzondere verzameling scheepsspullen. “Iedere schipper heeft wel een tik,” zegt hij glimlachend. “Bij mij groeide dat uit tot kasten vol kompassen, ankertjes en oude instrumenten.”
Door Tom Rietveld
Schippersbloed
“Wij komen uit een echte schippersfamilie,” begint Jan. “Van vaderskant voeren ze zand met kleine scheepjes van tien, twaalf of twintig ton. Die moest je met de hand volscheppen. Van zeil gingen ze over op motor, een motortje van tien pk dat je eerst heel ingewikkeld moest voorgloeien voor hij aansloeg. Primitief, maar het werkte.”
Ook zijn moeder kwam uit een schippersgeslacht. “Mijn opa liet rond 1900 een klipper bouwen in Papendrecht, een zogenaamde Roosendaalse maat. Die paste precies door de speciale sluis in Roosendaal. In 1925 stopte hij met varen en ging hij op een scheepswerf werken. Uiteindelijk verhuisde de familie naar Breda, waar mijn oma vandaan kwam. Mijn moeder ging werken bij de Hero-fabriek. Potten dichtdraaien. Als zij thuis een deksel dicht deed, kreeg je hem nooit meer open.”
Wonen aan boord
Jan werd in 1949 geboren. “Wij woonden aan boord. Je had een roef, een keuken, een stuurhut en twee kleine slaapkamers met stapelbedden. Voorin was een vooronder waar we ons wasten en waar de knechten sliepen. Een knecht aan boord was in de jaren vijftig heel gewoon, want alles ging nog met handkracht en gesjouw.”
Als kind zat hij op een schippersinternaat. “Dat was continu onderwijs, van ’s morgens vroeg tot ’s avonds zes uur. Alle kinderen van schippers, kermisfamilies en circusartiesten zaten daar. Toen ik veertien was, kwam ik weer aan boord en hielp ik mijn zus aflossen.”
Overstap naar Rijkswaterstaat
In 1971 moest het gezin stoppen met varen. “Mijn vader kreeg hartproblemen, mijn moeder overleed kort daarop aan kanker. Als schipper had je nooit tijd om ziek te zijn. Ik kwam via een aannemer bij Rijkswaterstaat terecht, op een patrouilleboot. Dat was mooi werk en goed betaald. Ik ben er gebleven tot mijn pensioen.”
Hij maakte er alle functies door: van motordrijver en dekknecht tot schipper en uiteindelijk riviermeester. “Op Post Dordrecht regelde je de scheepvaart op de drukste kruisingen van Europa: de Beneden Merwede, de Noord, de Oude Maas, de Dordtse Kil. Je moest goed luisteren en advies geven, maar nooit zeggen: ‘je moet’. Want als er iets misging, kreeg jij de schuld.”
Lang duurde het kantoorwerk niet. “De hele dag naar schermen staren was niks voor mij. Ik vroeg mijn baas of ik weer buiten mocht. Buiten voelde ik me thuis, daar hoorde ik.”
Nachtwerk en pensioen
Nachtdiensten waren zwaar, weet Jan. “Sommige collega’s gingen eraan onderdoor. Die zochten dagwerk of een kantoorbaantje. Ik kon er gelukkig goed tegen. Er kwam een regeling: wie de nachten doorliep tot zestig, mocht eerder stoppen en kreeg extra pensioen. Dat heb ik gedaan. Op mijn 62e ging ik met pensioen, en nu ben ik alweer jaren thuis.”
De boomstammen uit Frankrijk
Het varen bracht ook bijzondere verhalen. Jan herinnert zich een reis met eikenstammen. “We voeren leeg naar een laadplaats in Frankrijk. Daar kwam een klein kraantje aan dat die enorme bomen moest tillen. Dat ding zakte bijna door zijn poten. De Fransen gebaarden wat en hup, met de zaag erin. Voor ons was het voordelig: hoe meer tonnen, hoe meer betaald. Maar in Helmond keurde de ontvanger de lading af. Te korte stammen. We hebben er een week gelegen. Zulke dingen maak je mee.”
Ook andere ladingen bleven hem bij. “Sojabonen voor een boterfabriek, zand voor de bouw, bieten… Altijd drukte, altijd wachten. Soms lagen er dertig schepen tegelijk te laden of lossen. Het was een wereld op zichzelf.”
Sanering van de binnenvaart
Veel kleine schepen verdwenen in de jaren zeventig. “De schepen werden steeds groter. Voor een schip van 250 ton was geen werk meer. Mijn schoonvader is toen gestopt en kreeg via een saneringsregeling een soort pensioen. Prachtige scheepjes zijn toen gesloopt. Zonde natuurlijk, maar zo ging dat.”
De verzameling groeit
Zijn liefde voor scheepsspullen begon met kleine vondsten. “Een houten pompdeel dat ik opschuurde, een kompasje van opa, eentje van mijn schoonvader. Dan zei iemand: ‘Geef dat maar aan Jan’. Zo groeide het vanzelf. In de jaren zeventig begon ik echt te verzamelen. Nu vraag ik me soms af: wat moet ik ermee? Musea hebben vaak al veel, en de jeugd wil het niet.”
Toch is hij trots als hij de vitrinekast opent. “Hier zie je modelankertjes, smeerpotjes, oude pyrometers om motortemperatuur te meten, en een knopenbordje. Een droogkompas, een vloeistofkompas met alcohol zodat hij in de winter niet bevroor. Een sextant – meer iets voor de zeevaart. Een koperen ankerlicht met geslepen lens, dat het licht echt versterkte.”
Hij wijst naar een bijzonder voorwerp. “Dit zat in een pomp, met leren kleppen. Als je water zoog ging de klep open, en terug dicht. Slimme vindingen van vroeger.”
Een tik van de schipper
Jan relativeert zijn verzameling. “Iedere schipper heeft wel iets: een gepolijste schroef, een oud kompasje, een scheepsbel. Ik misschien een tikje meer. Maar het hoort bij mijn leven. Het water, het varen, de schepen – dat laat je nooit los.”
Nawoord
Zijn kinderen hebben andere wegen gekozen. Wat er later met de spullen gebeurt, weet hij niet. “Misschien belandt het bij het Binnenvaartmuseum, misschien niet. Voor mij zijn het herinneringen, tastbare stukjes van een leven op het water. Als ik ernaar kijk, hoor ik het gebrom van de motor weer en voel ik de deining onder mijn voeten.”
