Door Tom Rietveld

Voor veel mensen zijn het gewoon duiven. Voor Wim Bisschop zijn het atleten met vleugels. Zodra hij over zijn hobby begint, klinkt de fascinatie in alles door: de spanning van een wedstrijd, het karakter van de dieren, de dagelijkse verzorging en vooral het wonder dat een duif na honderden kilometers feilloos haar eigen hok terug weet te vinden.

Die fascinatie begon al vroeg. Niet via zijn familie, zoals bij veel duivenliefhebbers, maar gewoon in de straat. “Bij veel mensen gaat het van vader op zoon, maar bij mij niet,” vertelt Bisschop. “Ik was als klein manneke al gek van duiven en vogels. Ruim zestig jaar geleden zaten in bijna iedere straat wel vier, vijf of zes mensen met duiven. Dan ging je kijken als die duiven thuiskwamen. Als je geluk had, mocht je helpen met het schoonmaken van het hok of met verzorgen. Zo is het begonnen.”

Wat hem toen trof, boeit hem nog steeds het meest: het moment waarop een duif na een vlucht terugkeert. “Dat blijft fascinerend. Je zet zo’n dier op honderd, zeshonderd of soms meer dan duizend kilometer weg, en toch vliegt het terug naar zijn eigen hok. Dat is toch eigenlijk onbegrijpelijk?”

Oorsprong in de tijd van de postduif

De duivensport vindt haar oorsprong in de postduif. Al eeuwenlang werden duiven gebruikt om berichten over te brengen. In het oude Egypte, later bij de Romeinen en in Europa, waren ze een betrouwbaar communicatiemiddel. Ook in oorlogstijd speelden postduiven een rol, juist omdat ze hun hok altijd wisten terug te vinden.

“In de oorlog zijn postduiven natuurlijk echt gebruikt,” zegt Bisschop. “Toen was er amper telefoon en waren er weinig andere communicatiemiddelen.”

Uit dat praktische gebruik ontstond later de sport. Het principe is eenvoudig: duiven worden naar een andere plaats gebracht, daar gelost en vliegen vervolgens zo snel mogelijk terug naar hun eigen hok. Vroeger gebeurde dat vaak met de trein, vertelt Bisschop. Tegenwoordig gaan de dieren met speciale vrachtwagens naar de losplaats.

Sommige afstanden zijn indrukwekkend. “Barcelona was tot enkele jaren geleden een van de verste vluchten. Dat is van hieruit ongeveer 1200 kilometer. Hoe lang een duif daarover doet, hangt helemaal af van de wind. Met tegenwind vliegen ze misschien 60 tot 70 kilometer per uur, maar met wind mee kunnen ze wel 120 of zelfs 130 kilometer per uur halen.”

Een klein wonder in de lucht

Voor veel buitenstaanders blijft het een raadsel hoe een duif haar weg terugvindt. Wetenschappers denken dat postduiven verschillende hulpmiddelen tegelijk gebruiken: de stand van de zon, herkenningspunten in het landschap en mogelijk ook het magnetisch veld van de aarde. Daarnaast leren ze tijdens hun trainingsvluchten steeds beter de omgeving kennen.

Ook onderweg moeten ze soms improviseren. “Als het warm is, moeten ze drinken,” legt Bisschop uit. “Een echt goede duif kan tijdens het vliegen laag over het water scheren en als het ware water scheppen. Minder goede duiven gaan ergens zitten drinken en uitrusten. Die komen natuurlijk te laat.”

Daarmee zit meteen ook een deel van de sport uitgelegd: niet elke duif is gelijk. Net als bij mensen heeft de ene meer talent, meer conditie of meer karakter dan de andere.

Trainen als een topsporter

Een goede postduif wordt niet zomaar geboren. Er zit een heel trainingsprogramma achter. Bisschop heeft momenteel 48 oude duiven: dieren van een jaar en ouder, waarmee gevlogen én gekweekt wordt. Daarnaast heeft hij jonge duiven, die stap voor stap worden voorbereid op hun eerste wedstrijden.

“Je begint altijd klein,” zegt hij. “Eerst moeten die jonge duiven hier aan huis de omgeving leren kennen. Daarna breng ik ze kleine stukjes weg, bijvoorbeeld vijf kilometer. Voor ze echt met een officiële vlucht meegaan, heb ik ze vaak al vijftien keer weggebracht. Meestal niet verder dan ongeveer 35 kilometer. Daarna gaan ze mee op hun eerste echte vlucht van zo’n 70 tot 80 kilometer.”

Dat opbouwen is nodig, want duiven moeten ervaring opdoen. “Het is net als bij voetballers of wielrenners. Talent moet er zijn, maar je moet ook trainen. Niet alle duiven hebben dezelfde aanleg. Je hebt duiven voor kortere afstanden tot 300 of 400 kilometer, duiven voor de middenafstand en echte marathonduiven voor de langste vluchten.”

Thuis trainen ze vrijwel dagelijks. “Ze vliegen hier iedere dag één of twee keer uit. Net als een wielrenner moet een duif blijven trainen.”

Eigen hok, eigen karakter

Wie denkt dat alle duiven op elkaar lijken, vergist zich volgens Bisschop behoorlijk. “Je hebt echt karakterverschillen. Er zijn duiven die keurig trainen, netjes terugkomen en direct het hok in gaan. Maar je hebt er ook die buiten blijven rondlopen en bijna niet naar binnen willen. Dan moet je ze roepen.”

In het hok heeft iedere duif haar eigen plaats. Dat eigen territorium is volgens Bisschop een belangrijke drijfveer. “Iedereen heeft zijn eigen bak, zijn eigen kooitje. Daar mag geen ander in zitten. Dat is volgens mij een van de grootste motivaties om snel naar huis te komen: die territoriumdrift.”

Daarnaast gebruiken liefhebbers soms extra motivatie. Sommige duiven vliegen op nestdrang: ze willen snel terug naar hun eieren of jonge duiven. Andere systemen werken met gescheiden doffers en duivinnen, die elkaar vlak voor de vlucht nog even zien. “Dat kan misschien helpen,” zegt Bisschop, “maar uiteindelijk hangt alles af van een goede, gezonde duif.”

De spanning van het wachten

Het mooiste moment in de duivensport? Daar hoeft Bisschop niet lang over na te denken. “Dat is het wachten tot ze thuiskomen. Dat blijft het spannendste van alles.”

Op een wedstrijddag zit hij vaak al met een rekensom in zijn hoofd. Bij een vlucht van 350 kilometer en gunstige omstandigheden kun je redelijk inschatten wanneer de eerste duiven thuis kunnen zijn. En dan is het wachten geblazen.

“Dan ga je lekker buiten zitten en kijken,” zegt hij. “Vroeger wist je niet wat er elders gebeurde. Tegenwoordig zie je op je telefoon wanneer ergens anders de eerste duif geklokt is. Dan weet je: nu moet ik binnen zoveel minuten ook een duif hebben, anders ben ik te laat. Dat is enerzijds handig, maar het verrassende is er ook een beetje af.”

Toch blijft het moment zelf uniek. Eerst een stipje in de lucht, dan een snelle duikvlucht richting hok. “Jawel,” zegt hij met een glimlach, “je hart gaat dan wel sneller kloppen.”

Het kan zelfs op seconden aankomen. “Als een duif nog een rondje blijft vliegen en niet meteen naar binnen gaat, dan kun je het vergeten.”

Van ring in de klok naar elektronische registratie

Ook de techniek is veranderd. Vroeger moest de liefhebber de ring van de duif halen en in een speciale klok stoppen om de tijd vast te leggen. Dat was secuur werk en kostte kostbare seconden.

“Tegenwoordig gaat het elektronisch,” vertelt Bisschop. “De duiven hebben een chipring en bij het hok zitten antennes. Zodra de duif naar binnen gaat, wordt de aankomsttijd automatisch geregistreerd. Dat is voor de duif én voor de liefhebber natuurlijk veel prettiger.”

Dagelijks werk en veel zorg

Duiven houden is geen hobby die je er zomaar even bij doet. “Het is echt iedere dag werk,” zegt Bisschop. “Toen ik nog werkte, deed ik het ook al. Dan stond ik ’s morgens vroeg op, liet de duiven vliegen, gaf ze eten, maakte het hok schoon en ging daarna naar mijn werk. Nu ik thuis ben, neem ik misschien wat meer tijd, maar het blijft een dagelijkse routine.”

De duiven krijgen mengelingen van granen en daarnaast supplementen zoals vitaminen en kalk. Na een zware vlucht krijgen ze soms extra middelen voor herstel. Maar Bisschop relativeert ook die kant van de sport. “Er zit een hele business omheen, maar uiteindelijk hangt en staat alles met een goede duif.”

Sommige topduiven brengen internationaal enorme bedragen op, vooral wanneer rijke kopers uit China, Japan of het Midden-Oosten belangstelling hebben. “Maar dat zijn uitzonderingen,” benadrukt hij. “De meeste duiven worden hier gewoon voor normale bedragen verkocht.”

Minder liefhebbers, meer problemen

Hoewel de passie bij liefhebbers groot blijft, ziet Bisschop de sport wel veranderen. Het aantal duivenliefhebbers is de afgelopen decennia sterk teruggelopen. “Vroeger had je in deze regio honderden liefhebbers. Alleen al in Oosterhout zaten er 350 tot 400. Nu zijn er nog maar een paar verenigingen over.”

De oorzaken zijn volgens hem duidelijk. Jongeren kiezen andere hobby’s, woningen zijn kleiner geworden en in hoogbouw of appartementen is nauwelijks ruimte voor een duivenhok. “Vroeger had je meer ruimte en ook minder andere dingen om te doen. Nu is dat heel anders.”

Daar komt nog een extra probleem bij: roofvogels. “Dat is voor duivenliefhebbers op het moment echt een ramp. Vroeger raakte je ook wel eens een duif kwijt, maar nu worden er veel door roofvogels gepakt, gewoon uit de lucht of van het dak af.”

Trots op een goede duif

Toch overheerst bij Wim Bisschop niet de zorg, maar de liefde voor zijn sport. In huis hangen foto’s van kampioensduiven, tastbare herinneringen aan goede seizoenen en mooie prestaties. Een van zijn duiven behaalde in 2024 meerdere ereplaatsen en kreeg daarom een ereplek aan de muur.

“Daar ben je trots op,” zegt hij. “Zo’n duif pakt jaar in jaar uit prijzen. Als die in vorm is, kun je er bijna de klok op gelijkzetten.”

En juist dat maakt de sport voor hem nog altijd bijzonder: de combinatie van vakmanschap, spanning, dagelijkse zorg en bewondering voor een dier dat steeds opnieuw bewijst waartoe het in staat is. Voor de buitenwereld zijn het misschien gewone duiven, maar voor Wim Bisschop zijn het trouwe sporters met een feilloos kompas. En iedere keer dat ze na een lange vlucht weer op het hok landen, voelt dat als een kleine overwinning.

Wist u dat…

• een postduif snelheden kan halen van 60 tot 90 kilometer per uur, en met gunstige wind zelfs nog sneller?

• wedstrijdduiven soms afstanden vliegen van meer dan 1000 kilometer?

• iedere postduif een ring met een uniek nummer om de poot heeft?

• duiven zich waarschijnlijk oriënteren op zon, landschap en mogelijk het aardmagnetisch veld?

• Nederland en België al meer dan een eeuw echte duivenlanden zijn?

• internationale topduiven soms voor zeer hoge bedragen worden verkocht?

De heldendaad van een postduif in de oorlog

Postduiven hebben door de eeuwen heen een belangrijke rol gespeeld bij het overbrengen van berichten. Al in de oudheid gebruikten Egyptenaren en Romeinen duiven om nieuws snel te verspreiden. Later werden postduiven ook ingezet door handelaren, kranten en legers.

Een van de beroemdste verhalen komt uit de Eerste Wereldoorlog. In oktober 1918 raakte een Amerikaans bataljon van ruim vijfhonderd soldaten ingesloten door Duitse troepen in het Argonne-bos in Frankrijk. De eenheid had geen contact meer met het hoofdkwartier en werd zelfs per ongeluk beschoten door eigen artillerie.

De soldaten stuurden meerdere postduiven met berichten weg, maar die werden door vijandelijk vuur neergeschoten. Uiteindelijk bleef nog één duif over: Cher Ami ('Lieve vriend'). Ondanks zware verwondingen; een kogel door de borst, een beschadigd oog en een poot die er bijna af hing, wist de duif het bericht toch naar de basis te brengen.

Dankzij dat bericht werd het artillerievuur onmiddellijk gestopt en konden 194 soldaten worden gered. Cher Ami kreeg later een militaire onderscheiding en staat nog altijd bekend als een van de beroemdste postduiven uit de geschiedenis.

Ook in de Tweede Wereldoorlog werden postduiven nog regelmatig ingezet om berichten door te geven wanneer radioverbindingen ontbraken of te gevaarlijk waren.

Nederland en België echte duivenlanden

De moderne duivensport zoals we die nu kennen ontstond vooral in België en Noord-Frankrijk in de 19e eeuw. Arbeiders en ambachtslieden hielden postduiven als hobby en begonnen onderling wedstrijden te organiseren: wie had de snelste duif terug naar huis?

Vanuit België verspreidde de sport zich snel naar Nederland, waar vooral in Brabant, Zeeland en Limburg veel liefhebbers te vinden waren. Dorpen en steden hadden vaak meerdere verenigingen. Op wedstrijddagen werden duizenden duiven tegelijk gelost, waarna de liefhebbers thuis vol spanning wachtten tot hun duiven weer op het hok verschenen.

In Nederland wordt de sport georganiseerd door de Nederlandse Postduivenhouders Organisatie (NPO). In het hoogtepunt van de sport, rond het midden van de twintigste eeuw, waren er tienduizenden duivenliefhebbers actief.

Ook internationaal is de sport groot geworden. Vooral in China, Japan en het Midden-Oosten is tegenwoordig veel belangstelling voor wedstrijdduiven. Topduiven kunnen daar soms voor zeer hoge bedragen worden verkocht, vooral wanneer ze afkomstig zijn uit een succesvolle Europese duivenlijn.

Hoewel het aantal liefhebbers in Europa de laatste decennia afneemt, blijft de duivensport voor velen een bijzondere combinatie van dierenliefde, sport en traditie.