Door Tom Rietveld
De oproep in het Weekblad De Langstraat om bijzondere bladzijden uit oude poëzie-albums op te sturen, blijft verrassend goed werken. Elke week komen er nieuwe inzendingen binnen: soms een enkele pagina, soms meerdere bladzijden tegelijk. We publiceren steeds verschillende inzenders per keer. Niet altijd verschijnen alle bijdragen van één inzender meteen naast elkaar; sommige gedichten bewaren we voor een volgende aflevering, zodat we zoveel mogelijk mensen aan bod kunnen laten komen.
Wat deze rubriek zo bijzonder maakt, is dat de inzendingen niet alleen lieve versjes zijn, maar ook kleine vensters op een andere tijd. Een tijd waarin een mooi woord nog met de hand werd neergepend, vaak met sierlijke krullen en zorgvuldig gekozen inkt. En ook een tijd waarin geloof en religie – zeker in en na de Tweede Wereldoorlog – voor veel gezinnen een vanzelfsprekend houvast vormde. Dat zie je terug in de teksten: ze zijn warm bedoeld, soms ernstig van toon, maar altijd geschreven vanuit zorg, hoop en liefde voor het kind dat het album bezat.
Bij de afdrukken van de originele bladzijden plaatsen we daarom ook uitgeschreven versies. Niet omdat het handschrift niet mooi is – integendeel – maar omdat veel lezers in de krant moeite hebben om het sierlijke schrift goed te ontcijferen. Op deze manier blijven de oorspronkelijke pagina’s zichtbaar én kunnen de woorden weer echt gelezen worden.
Suze Spuijbroek: 'Met deze donkere dagen zet ik haar toch in het zonnetje'
De eerste inzending komt van Suze Spuijbroek. Zij reageerde direct op de oproep, omdat ze meteen dacht aan het poëzie-album van haar tante Jo. Tante Jo overleed op 18 november 2024, 93 jaar oud. Suze kreeg haar album en daarmee ook een tastbaar stuk familiegeschiedenis.
Suze schrijft er een warm verhaal bij: als kind kwamen zij en andere familieleden heel graag bij ome Ab en tante Jo. Ze hadden zelf geen kinderen, en juist daardoor – zo klinkt het – stonden ze extra klaar voor de neefjes en nichtjes. Logeren was feest. Met kerst waren er 'echt kerstbroodjes' en allerlei lekkernijen. In hun jeugd woonden ome Ab en tante Jo in Limburg en daar bleven ze graag slapen. Ome Ab werkte bij Rijkswaterstaat en met mooi weer gingen ze mee varen en zelfs surfen.
Toen ome Ab overleed, verhuisde tante Jo terug naar Raamsdonksveer. Ze woonde in Hoge Veer Bastion. Suze ging er vaak langs: even samen wandelen, en dan – heel herkenbaar voor wie het kent – een advocaatje met slagroom, bijvoorbeeld tijdens een middag met live muziek 'uit de oude tijd'. Suze is blij dat ze het album kreeg: “Zo kan ik met deze donkere dagen haar toch nog in het zonnetje zetten.”
En dan de twee versjes die in het album staan, geschreven door vader en moeder van tante Jo – Suze noemt hen haar opa en oma. Ze staan gedateerd op Raamsdonksveer, 26 april 1941. Dat jaartal alleen al maakt stil: het is oorlogstijd. De toon is ernstig en troostend, met woorden die bij hun tijd passen.
Raamsdonksveer, 26 april 1941
Lief Dochtertje,
Ga niet alleen door ‘t leven,
Die last is te zwaar,
Laat één u sterkte geven,
Gaat tot u Middelaar,
Daar is zooveel te klagen,
Daar is zooveel geween,
En zooveel leeds te dragen,
Ga niet alleen
Uw Moeder
En vervolgens een tweede tekst, van de vader:
Lief Dochtertje,
Wat zal ik in uw Album schrijven,
Zoo vraag ik mij zelven af,
Tot ik in ’t eind heb neergeschreven,
Wees gij haar leidsman Heer,
Uw zegen blijve haar steeds omgeven,
Uw hand bestuur gestaag haar lot,
Dan mogen jaren henen snellen,
Geen nood gij zijt haar Heer en God.
Uw Vader
Wie deze woorden leest, voelt meteen hoe ouders toen – net als nu – het beste voor hun kind wilden. Alleen: de taal en de beelden zijn anders. De oproep is om niet alleen te gaan, om steun te zoeken, om geleid te worden. Het is een persoonlijk gebed in albumvorm.
Leida van der Zanden-Biemans: internaat, binnenvaart en een non die schrijft over een 'tuin'
De tweede bijdrage komt van Leida van der Zanden-Biemans. Zij vertelt dat het versje geschreven is door een non: Zr. Adrianie. Leida zat als kind op een internaat in Geertruidenberg. Niet omdat ze dat per se wilde, maar omdat het praktisch noodzakelijk was: haar ouders waren binnenvaartschippers. Schoolgaan betekende dan vaak intern wonen. Leida noemt het 'een moeilijke tijd zo net na de oorlog'.
Ze is geboren op 10 juli 1936 en was dus 10 jaar toen het versje werd geschreven. Het staat erbij: Geertruidenberg, 24 Februari ’46. Dat is nog geen jaar na de bevrijding. Het versje heeft een zachte, bijna pedagogische toon: het kinderhart als tuin, waarin plantjes groeien met namen als eerbied, geduld, oprechtheid en gehoorzaamheid. En telkens als een kind een goede daad doet, ziet de engel een knop opengaan.
Geertruidenberg, 24 Februari.’46
Lieve Leida
Een kinderhartje is een tuin,
Van Onze Lieve Heer,
Daar groeien vele plantjes in
Heel fris en fijn en teer,
Eén plantje heet: Eerbiedig zijn,
Een ander heet: Geduld in pijn,
Een derde weer: Wees heel oprecht,
Een vierde: Doe wat Moeder zegt
En telkens als ‘t kindje doet,
Een mooie goede daad.
Dan ziet zijn Engel, dat een knop
In ‘t tuintje opengaat.
Zr. Adrianie
Ook hier: religieus, ja. Maar vooral: liefdevol opvoedend. Het is een klein stukje zorg in woorden, bedoeld om een kind in het gareel te houden én moed te geven.
José Fens van Pinxteren: drie schrijvers, drie momenten, één album
De derde inzending draait om het poëzie-album van José Fens van Pinxteren. Leida geeft daar extra toelichting bij: juffrouw Van Onzenoort (2e klas) schreef in het album op 17 september 1959. Zuster Simonis, verpleegster in het ziekenhuis, schreef op 23 maart 1962. En José’s vader schreef het eerste versje, met datum 7 december 1958. Zo ontstaat een klein tijdlijntje binnen één album: school, zorg en thuis.
Eerst het bekende, vriendelijk-korte rijmpje van de juffrouw:
Raamsdonksveer, 17e sept ’59
Beste José,
Wees thuis een zonnestraaltje
Op school een aardig kind
Wees altijd lief en vrolijk
Dan word je door iedereen bemind
Juffr v. Onzenoort
2de klas
Daarna de bijdrage van Zr. N. Simonis, met die typische spreukvorm die je in veel albums terugziet: verschillende talen, één boodschap.
Beste José,
De Fransen zeggen 'souvenir'
De Duitsers zeggen 'denk an mir'
Maar ik zeg, zoals in Nederland geschiedt,
Alleen het woord 'vergeet mij niet'
Zr. N. Simonis
En dan het versje van vader, gedateerd 7 december 1958. Het is langer, meer persoonlijk, en opnieuw duidelijk vanuit geloofsbeleving geschreven. De kern zit in de eerste regels: 'Bid en werk' – alsof hij zijn dochter een levensmotto meegeeft.
7 dec 1958
Lieve José
Bid en werk,
Zoo maakt ’t je leven sterk,
Houdt God steeds voor ogen,
Op hem kun je bogen,
Houdt je hart steeds rein,
Dat vindt je Vader en Moeder fijn,
Ook als wij er niet meer zijn,
Denk dan steeds aan dit rijm,
Veel geluk en een lang leven,
Wil je Vader je geven.
Je Vader
J. van Pinxteren
Wat opvalt: hoe vanzelfsprekend ouders in die jaren spraken over later, over 'als wij er niet meer zijn'. Niet somber bedoeld, maar als een rustige voorbereiding op het leven. En hoe het album daarvoor een plek bood: een kind droeg het mee, en dus ook de woorden.
Een rubriek die blijft groeien
Als je deze bijdragen naast elkaar legt – 1941, 1946, 1958, 1959, 1962 – zie je hoe een poëzie-album meer is dan een boekje vol rijmpjes. Het is een tijdcapsule. Het vertelt iets over opvoeding, geloof, familiebanden, school en zorg. En het vertelt óók iets over hoe mensen toen woorden kozen: bedachtzaam, met beleefde aanhef, vaak met 'Uw Vader' of 'Uw Moeder' eronder, alsof het een kleine brief was.
Daarom: blijf vooral insturen. Heb je nog een poëzie-album liggen van jezelf, je moeder, je oma, een tante, een buurvrouw? Zoek eens in een la, in een kast, in een oude koffer. Maak een duidelijke foto of scan en stuur die op. Een korte toelichting erbij maakt het extra waardevol: wie schreef het, wanneer, en waarom is deze bladzijde jou dierbaar?
Insturen kan nog steeds, graag zelfs.
Tom Rietveld
tomrietveld@me.com of via WhatsApp 0651217918
