Winter - Waar de stilte meer zegt dan woorden. Uit de Nederlandsche Muzen-Almanak, 1825. Uit het gedicht 'Winter'.

Door Tom Rietveld

De winter heerscht: door ’t landschap, kil en dof,

Waait noordwind striemend langs het ruige lof;

De velden stijf, het water blinkend strak,

Geen vogelzang - slechts stilte op elke tak.

De wandelaar, gehuld in dichte vacht,

Voelt hoe de koude de adem bijna smacht;

Zijn schreden klinken hol op ’t bevroren pad,

Waar tijd vertraagt en ’t heden zwijgen laat.

Geen bloem ontvouwt hier nu haar teer gelaat,

Geen zon die mild door grijze wolken gaat;

Maar wie hier ziet met aandacht, merkt terstond

Dat rust niet dood is, maar een diepe grond.

Want onder ’t ijs, waar ’t leven schuilend slaapt,

Wordt reeds het zaad der nieuwe dagen gestaakt;

De stilte zelf bewaart wat groeien moet,

En sterkt de ziel in ingetogen moed.

Zo leert de winter, streng en toch zo klaar,

Dat wie kan wachten, rijker wordt dan waar;

Dat niet het luidste woord het meeste zegt,

Maar dat de stilte ’t hart het diepst terecht.

Uitleiding

De winteraflevering van de Muzen-Almanak is altijd een bijzondere.

Waar lente, zomer en herfst beweging tonen, bloei en oogst beschrijven, laat de winter juist stilstand zien. Het landschap lijkt bevroren, het leven teruggetrokken. En toch gebeurt er onder dat dunne, ijzige licht misschien wel het meest wezenlijke: bewaren, wachten, herstellen.

In de romantische poëzie van het begin van de 19e eeuw is winter nooit alleen koude of ontbering. Het is een innerlijk seizoen, een tijd waarin de mens zichzelf ontmoet, ontdaan van afleiding, teruggebracht tot essentie.

De Muze verschijnt hier niet als zingende verleidster, maar als stille getuige. Zij leest, weegt, bewaart. De zandloper aan haar zijde herinnert ons eraan dat tijd niet verdwijnt, maar zich verzamelt.

Echo naar het Nu

In onze tijd herkennen we die winterstilte soms nauwelijks meer.

Het vraagt om vertraging.

Om ademhalen.

Om kijken in plaats van rennen.

We leven sneller, blijven langer doorgaan, en zelfs de seizoenen lijken minder uitgesproken. Winters zijn zachter, korter, onzekerder geworden. Sneeuw en ijs zijn geen vanzelfsprekendheid meer. Afgelopen week werden we zelfs opgeschrikt door een korte en hevige winterweek. Gelukkig toch ook weer een mooie herinnering aan sneeuw en ijs. Kinderen genoten met grote teugen.

Juist daarom spreekt dit gedicht ons opnieuw aan.

Het winterbeeld uit 1825 herinnert ons eraan hoe het wás —

en hoe het misschien weer zou moeten voelen.

Echo naar de toekomst

Winter leert ons het belang van pauze, herstel en schaarste herkennen.

In een tijd van klimaatverandering, overvloed en voortdurende prikkels is dat urgenter dan ooit.

Misschien is dit gedicht geen beschrijving van vroeger, maar een oproep voor later:

Bewaar de seizoenen

Bewaar de stilte

Bewaar wat ons mens maakt

Zodat toekomstige generaties ook een winter kennen, die knispert, kraakt en uitnodigt tot bezinning.

Samenstelling en reflectie: Tom Rietveld