Op de website van de gemeente Geertruidenberg worden de drie kernen als volgt omschreven: Geertruidenberg is een mooie vestingstad met een prachtige historische markt, Raamsdonksveer staat bekend als een dynamische uit de kluiten gewassen dorp met meer dan gemiddelde voorzieningen en Raamsdonk is een hechte, rustieke agrarische kern met karakteristieke Langstraatboerderijen. Over de laatstgenoemde kern gaat dit artikel. Waar nu het fraaie agrarische dorp ligt, was het vroeger een grote moerassige en onherbergzame wildernis. Het langgerekte dorp ligt op een zandrug die uitsteekt boven het laaggelegen omliggende land dat oorspronkelijk uit veengrond bestond en waar vroeger turf werd gewonnen. Van de tussen 1200 en 1750 aangelegde turfvaarten is niets bewaard gebleven. Een ‘dunc’ of ‘donk’ is een zanderige heuvel in een moerassig gebied. De oude betekenis van het in Brabant veel voorkomende toponiem raam (raem) is moeras, waarmee de namen Ramesdonc, Raemsdonc en Ramsdonc en uiteindelijk Raamsdonk zijn verklaard.

Tijdens de Romeinse tijd van ongeveer 0 tot 400 na Christus was er al sprake van menselijke activiteiten. Dat is te herleiden uit het feit dat er tijdens onderzoek van de Archeologische Werkgroep van de Oudheidkundige Kring ‘Geertruydenberghe’ een Romeinse munt uit de derde eeuw na Christus is gevonden. Die lag in de grond die in de Middeleeuwen gebruikt was om het vloeroppervlak van een rond 1275 gebouwde kerk te verhogen, op de plaats waar nu de Lambertuskerk staat. Ook rond 570 zou er sprake geweest zijn van bewoning, die daarmee teruggaat tot de Merovingische Frankische tijd. Een tijd die vaak gezien wordt als een chaotische periode met vele volksverhuizingen. De ontginning van gronden rond Raamsdonk zal vanaf de 12e en 13e eeuw hebben plaatsgevonden. Op de hoge zandrug ontstonden vanaf de zuidoever van de Maasloop dorpen als Raamsdonk, Waspik, Capelle en Besoyen. De oudst bekende schriftelijke vermelding van Raamsdonk dateert van 1273, waarin de plaats wordt aangeduid als ‘Dunc’. In deze oorkonde krijgt ene Dirk Bokel het beheer over de tienden, een kerkelijke belasting op oogst en vee. Deze belastingrechten op de kerk van Raamsdonk waren van oudsher in het bezit van de bisschop van Luik. In de loop van de dertiende eeuw moest de bisschop de heerschappij afstaan aan de Ambachtsheer van het dorp. Albrecht van Beieren (1326-1404) werd in 1358 graaf van Holland, Henegouwen en Zeeland. Hij volgde zijn broer Willem V op, die geestesziek was en volgens Albrecht niet langer in staat was te regeren. Volgens Albrecht was Raamsdonk als volgt begrensd: ‘t Ambacht van Raemsdonck dat gelegen is binnen den palen die hier naervolgen: dats de Oitsteeg van der halve Mase opwaerts gaende totter Donga, ende die westzijde van der Donga te Waspyc toe ende op ’t zuydeynde bescheytet de halve Donga overal.’

Ambachtsheren en ambachtsvrouw

Het graafschap Holland was in de middeleeuwen verdeeld in deels zelfstandige ambachtsgebieden of ambachten. Lokaal stelde de graaf ambachtsheren aan, die ook een deel van zijn rechten, zoals rechtspraak, mochten uitoefenen. De heren konden daarnaast nog rechten doen gelden op een tiende van de opbrengst van de oogst, visserij- en jachtrechten en konden plaatselijke functionarissen benoemen zoals de schout, secretaris, bode, predikant, schoolmeester en/of turfmeter. Als ambachtsheerlijkheid komt Raamsdonk al in bronnen voor als Willem III ofwel Willem de Goede, graaf van Holland, op 25 januari 1316 het ‘regtleen’ uitgeeft aan ene Claes Gerardzoon van Wieldrecht. Daarna volgden nog de ambachtsheren Willem van Wieldrecht alias Willem van Raamsdonk (1347-1379), Gerard van Brakel (1379) en Willem van Oosterhout, bastaardzoon van Willem van Duvenvoorde en Geertruy Boudewijnsdochter van de Poel (1379-1382) en Daniel Janszoon van de Poel, neef van Willem van Oosterhout (1382-1408). Van 1410 tot 1435 was Margriete van de Poel ambachtsvrouw. Uit akten van 1417 en 1432 blijkt dat haar echtgenoot, de Brabantse edelman Raso van Lintheren in feite als ambachtsheer optrad. Daarna waren dat Godschalk Oom (1435-1463), zijn zoon Jan (1463-1474), Cornelis van Bruheze (1479-1503), zijn zoon Anthonis op 26 april 1503 en al snel daarna, op 4 mei, zijn broer Hendrik Bruheze. Deze overleed op paasavond 1538. Hij had enkel dochters en omdat het recht-leen niet zonder meer op een vrouw kon overgaan, verviel de ambachtsheerlijkheid Raamsdonk aan keizer Karel V van Holland en viel later onder de Raad van State.

Sint Elisabethsvloed en oorlogsgeweld

Na overstromingen in de vijftiende eeuw, waarvan de Sint Elisabethsvloed, die plaatsvond in de nacht van 17 op 18 november 1421, de bekendste is, kwam de Grote of Zuidhollandse Waard geheel onder water te staan, waaronder Raamsdonk. Slechts de uit omstreeks 1300 stammende kerktoren bleef staan. Volgens speculaties zouden veenafgravingen, slecht dijkbeheer en nalatig onderhoud door onderlinge twisten oorzaak van de gigantische overstroming zijn. Raamsdonk werd daarna een paar honderd meter zuidelijker weer opgebouwd. In de 14e en 15e eeuw had ook Raamsdonk last van oorlogsgeweld, zoals tijdens de Hoekse en Kabeljauwse twisten (1345-1492) en de 80-jarige oorlog (1568-1648). Met name in 1420 kreeg de plattelandsbevolking te maken met verwoestingen door het conflict tussen de Hoeken en Kabeljauwen. Dat was ook in 1593 tijdens het drie maanden durende beleg van Geertruidenberg door Prins Maurits; gedurende deze belegering marcheerden zijn soldaten met regelmaat door Raamsdonk. In 1599 telde Raamsdonk 122 gezinnen, bestaande uit 577 personen.

Gemeentewapen

In april 1724 hielden de Staten van Holland een publieke verkoop van een aantal ambachtsheerlijkheden, waaronder Raamsdonk. Simon van Son kocht op 14 april van dat jaar de functie van ambachtsheer voor 13.300 gulden, wat neerkomt op zo’n zesduizend euro. Zijn nakomelingen bleven tot 1884 heer en vrouwe van Raamsdonk. Daarna werd het ambt verkocht, eerst aan Wilhelmus van Heesbeen en later aan telgen uit het geslacht Colombijn in wiens bezit het ambt tot op de dag van vandaag officieel nog steeds is. Helaas voor hen is de term ‘ambachtsheer’ verworden tot een papieren titel. Het wapen is in vergelijkbare vorm sinds de 14e eeuw al in gebruik. Vanaf de 17e eeuw werd het wapen ook als heerlijkheidswapen gevoerd. In 1751 is er een zegel gebruikt waarop het wapen gekroond werd door een vijfbladige kroon. De officiële beschrijving van het wapen van Raamsdonk luidt als volgt: ‘In zwart twee paalsgewijs geplaatste handschoenen van zilver. Het schild gedekt door een gouden kroon van 15 paarlen’.

Lintstructuur en Langstraatboerderijen

Tot 1795 lag Raamsdonk in Holland, maar met de komst van de Fransen werden de gewestelijke grenzen een aantal keren veranderd, totdat in 1814 de grenzen van de huidige provincie Noord-Brabant definitief werden. Sinds 1822 bestaat de gemeente uit de oude ambachtsheerlijkheid Raamsdonk, de heerlijkheid Hendrik Luyten Ambacht en een gedeelte van de ambachtsheerlijkheid Groot Waspik (gehucht Twaalfhalfhoeve), alsmede uit een groot aantal polders. Midden 19e eeuw overheerste de landbouw, waarbij vooral de teelt van tarwe, meekrap, aardappelen, vlas en koolzaad belangrijk waren. De oorspronkelijke verkaveling bestond uit smalle langgerekte stroken, in een uitwaaierend patroon, loodrecht op weg en water. Halverwege de 20e eeuw werden als gevolg van ruilverkaveling de polders in het noorden van de gemeente grootschaliger in blokken ingedeeld. In Raamsdonk overheerst nog steeds de landbouw en zijn in het dorp nog diverse boerderijen van het ‘Langstraattype’ uit de 18e eeuw te zien. Deze boerderijen staan schuin naar de straat door dat de oorspronkelijke bewoners hun huis bouwden op de hogere, droge zandruggen (donken) binnen hun lange, smalle noord-zuid kavels van het slagenlandschap. Aangezien de zandruggen niet haaks op de weg lagen, moesten de boerderijen wel schuin gebouwd worden om op de ondergrond te passen. De oorspronkelijke lintstructuur van Raamsdonk, typerend voor De Langstraat, is goed bewaard gebleven, waarbij de ligging van gehuchten als (Hendrik) Luiten Ambacht, in 1832 bij Raamsdonk gevoegd, Broek, Bergen en Schans herkenbaar is gebleven in de straatnaam. Wel werd het dorp door de aanleg van de Langstraatspoorlijn, nu het Halvezolenpad, doorsneden. Het station in Raamsdonk was in gebruik van 1 november 1886 tot 1 augustus 1950. Vanaf de 19e eeuw groeide Raamsdonksveer uit tot een dominante kern binnen de gemeente. Door de snellere groei verplaatste de gemeente Raamsdonk in 1929 het gemeentehuis naar Raamsdonksveer, dat daarmee feitelijk het bestuurlijke centrum werd; wel hield de gemeente de naam Raamsdonk. Met de gemeentelijke herindeling in 1997 werd de gemeente Raamsdonk bij de gemeente Geertruidenberg gevoegd.

Tekst: Jan Hoek

Bronnen: Raamsdonks Historie/Terry van Erp; De Lambertuskerk en het dorp Raamsdonk, Ans van Gils, 2004; Cultuur Historische Inventarisatie Gemeente Raamsdonk, uitgave provincie Noord-Brabant, augustus 1993.