Sociale zorg was vanouds de zorg die kerken, filantropische instellingen en godshuizen aanboden aan mensen die in benarde omstandigheden verkeerden. Rond 1850 waren er ca. 650.000 landgenoten, toen 21% van de bevolking, die in extreme armoede leefden en afhankelijk waren van liefdadigheid. De stap naar de hedendaagse armenvoorziening werd pas in 1965 gezet, met de totstandkoming van de Algemene bijstandswet (Abw) in 1965. Deze wet werd ingevoerd door de KVP-minister van Maatschappelijk Werk Marga Klompé (1912-1986). Deze wet kwam in plaats van de Armenwet die dateerde van 1854 en in 1912 slechts iets was aangepast. De kern van de wet van 1965 was dat bijstand een afdwingbaar recht werd voor eenieder die niet zelf in het levensonderhoud kon voorzien. Met andere woorden: de zorg ging van genade naar recht.

Liefdadigheidsinstelling

Een godshuis is een liefdadigheidsinstelling waar om godswil armen, zieken, ouderen en wezen worden verzorgd. Godshuizen ontstonden aanvankelijk als hospitalen aan de stadspoorten, waar arme passanten of kloosterlingen onderdak konden krijgen. Soms voor één nacht wanneer de stadspoorten al gesloten waren. In de loop der eeuwen bezaten de Stedelijke Godshuizen te Geertruidenberg, naast de nodige landerijen in de omgeving, meerdere panden in de voormalige vestingstad. Naast het hoofdgebouw aan de Gasthuisstraat en het Weeshuis aan de Markt (nu restaurant ’t Weeshuys) waren dat in de 17e en 18e eeuw ook de huizen aan de Bierstraat 10, Elfhuizen 2 en 8, Haven 6, Havendijkstraat 13, Koestraat 13, 18 en 24, Leerthouwerstraat 14, Markt 3 en 26 en de Venestraat 51 en 64.

Oud mannen- en Vrouwenhuis

Stedelijke Godshuizen Geertruidenberg is eigenlijk de niet officiële naam maar wel de algemeen gebruikte naam voor de instelling die volgens haar uit 1913 daterende reglement heet: ‘Het Gast- en Heiligen Geesthuis ook genaamd het Oude Vrouwenhuis alsmede het Oud Manhuis, thans vereenigd onder de benaming van: Oud Mannen- en Vrouwenhuis, tevens zijnde burgerlijk armbestuur te Geertruidenberg’. Deze omslachtige benaming maakt wel duidelijk dat het hier een instelling betreft, waarin meerdere eertijds zelfstandige stichtingen zijn verenigd. Te weten: het Gasthuis, de Tafel van de Heilige Geest, het Oude Mannenhuis en het Burgerlijk Armenbestuur. De twee eerstgenoemde zijn reeds in 1580 samengevoegd tot het Gast- en Heilige Geesthuis. Omtrent het ontstaan van zowel de Tafel van de Heilige Geest als het Gasthuis is nagenoeg niets te vinden, maar uit Stadskeuren van begin veertiende eeuw blijken ze al te bestaan. De fusie van genoemde twee met het Oude Mannenhuis vond plaats in 1826, terwijl het Burgerlijk Armenbestuur in 1895 werd ingelijfd. Voorts wordt nog tot de Godshuizen gerekend het weeshuis, dat van 1681 tot 1795 door het Gast- en H. Geesthuis tezamen met de Diaconie der Gereformeerde Gemeente in stand werd gehouden. Ondanks de soms wat negatieve berichtgeving over de oprichters en vroegere collegeleden is er in het verleden toch veel goeds gedaan voor armen, behoeftigen en zwervers door het verschaffen van onderdak en voedsel.

Nieuwbouw Haverdijck

In 1775 werd besloten een nieuw tehuis voor mannen en vrouwen op te richten. De architect Philips Willem Schonck maakte het ontwerp; in 1778 werd de bouw afgerond. Het tehuis verrees op de plaats van het afgebroken Oude Mannenhuis aan de Haverdijck (thans Havendijkstraat). Aangezien het terrein niet groot genoeg was voor de ontworpen bouw, werd een aan de westzijde ervan gelegen pottenbakkerij en aan de oostzijde een stuk land gekocht. De zeer fraaie voorgevel is tegenwoordig de achtergevel, aangezien rond 1920 de Gasthuisstraat werd aangelegd. De voorgevel wordt sinds 1970 opgesierd door de Amersfoortse beeldhouwer Ton Mooy gemaakte replica’s van twee beelden die in de achttiende eeuw zijn gemaakt door Guilliam Carrier van een oude vrouw in 1769 en een oude man in 1778. De originele beelden van Belgisch hardsteen zijn in mei 2011 ter gelegenheid van de opening van Mauritsstaete, door het regentenbestuur van de Stedelijke Godshuizen, geschonken aan dit zorgcentrum, waar ze in de hal geplaatst werden. Vanwege de kwetsbaarheid van de historische beelden, staan ze tegenwoordig in de hal van de Stedelijke Godshuizen in Geertruidenberg. Overigens is werk van Ton Mooy ook te bewonderen in de nabijgelegen Geertruidskerk. Op het koor van de kerk was slechts één laatmiddeleeuwse kop (‘de oude man’) als kraagsteen bewaard gebleven. Tijdens de restauratie van 1987-1990 zijn door de beeldhouwer elf nieuwe kraagstenen voor het koor vervaardigd, uitgevoerd in Baumberger kalksteen, die apostelen en evangelisten voorstellen.

College van Regenten

Eeuwenlang vond jaarlijks de zogenaamde landbezichtiging plaats door het College van Regenten (het bestuur). De collegeleden gingen in een open rijtuig, een geveerde landauer, op pad om te beoordelen of de eigendommen goed werden beheerd. Onderweg werd er gepauzeerd om lekker te eten en te drinken. De dag werd, na een korte vergadering waarin de bevindingen van die dag werden besproken, afgesloten met een feestelijke palingmaaltijd in de Regentenkamer. Het was een goed gebruik dat de pachters van de landerijen voor de paling zorgden. Deze eeuwenoude traditie leeft in de 21e eeuw, in een moderne variant, nog steeds voort. De Stedelijke Godshuizen richten zich in het hoofdgebouw aan de Gasthuisstraat nog steeds op het zelfstandig laten wonen van hoofdzakelijk senioren. In het middengedeelte, aan de fraaie en vrij toegankelijke binnentuin, zetelt het bestuur. In dit gedeelte bevinden zich de Regenten- en Boerenkamer en de voormalige beheerderswoning. De Regentenkamer, die ingericht is met authentiek meubilair en een prachtige schouw met een groot aantal verschillende Delftsblauwe tegeltjes, vinden nog steeds de vergaderingen van het College van Regenten plaats. De wat meer bescheiden Boerenkamer wordt de laatste decennia vrijwel niet meer gebruikt. Vroeger werden daar door de regenten de besprekingen met de pachters gevoerd, terwijl de penningmeester daar de pachters ofwel boeren ontving als die hun jaarlijks pacht kwamen betalen. In de twee vleugels van het gebouw bevinden zich in totaal twaalf woningen voor ouderen. Aan de achterzijde van het monumentale pand bevindt zich een zeer fraai openbaar hofje, dat is ontstaan door nieuwbouw aan de Havendijkstraat en Waterpoortstraat.

Proveniershuis

De Stedelijke Godshuizen manifesteerden zich naar buiten, voornamelijk door hun Oude Mannen- en Vrouwenhuis, op de eerste plaats als een proveniershuis. Een provenier is een Oudhollandse benaming voor iemand die van preuves (giften) leeft. De Bergse instelling miste toch wel het zeer rustige voortbestaan dat dergelijke hofjes elders, met meestal geen andere doelstelling dan de huisvesting van bejaarden, veelal kenmerkte. Daarvoor waren de Stedelijke Godshuizen van Geertruidenberg, voornamelijk door hun ruime financiële middelen, te nauw betrokken geraakt bij het maatschappelijk leven in zijn vele uitingen. Ze zijn wel een zeer levend instituut gebleven dat meestal in staat was om daar waar hulp gevraagd werd, daadwerkelijke steun te verlenen. Daarbij werd weliswaar niet altijd gehandeld volgens de doelstelling en traditie van de oorspronkelijke stichtingen, maar niemand die het de toenmalige regenten kwalijk nam. Het voortbestaan van de zich tot een Oude Mannen- en Vrouwenhuis ontwikkelde instelling en de behartiging van de armenzorg in de ruimste zin bleven immers gewaarborgd. En zeker als je beseft dat de jaarlijkse overschotten bestemd waren voor doeleinden die het algemeen belang van de stad Geertruidenberg dienden.

Tekst: Jan Hoek

Bron: Overdruk uit het jaarboek XVIII (1965) van ‘De Oranjeboom, Breda ‘De Stedelijke Godshuizen van Geertruidenberg’, J.H. van Mosselveld.