Het ‘groenplan’ bevat meer dan dertig beleidsregels zowel op gebied van vergroening, biodiversiteit als klimaat en gezondheid. Ambitieus is het streven zeker. De goede wil is er. Maar is het ook allemaal realistisch, haalbaar, betaalbaar en controleerbaar.
Vergroenen
- De komende tien jaar streven we naar het planten van 3.000 bomen, dat zijn 300 bomen per jaar.
- Bij herinrichting en renovatieprojecten wordt de omgeving aantoonbaar vergroend. Bij elk project vindt vergroening plaats, waarbij zoveel mogelijk wordt uitgegaan van de 3-30-300 regel.
- Maatwerk bij vergroening. Groen werkt alleen als het aansluit bij de bestaande situatie. Is de ondergrond goed genoeg; kan het daar wel groeien, past het er wel.
- Bij nieuwbouw is natuurinclusief uitgangspunt. Daarbij wordt bewust ruimte gemaakt voor biodiversiteit.
- Bestaande boomstructuren worden in stand gehouden bij het aanleggen van groen en het planten van nieuwe bomen.
- Alle groenstructuren, zowel bomen als struiken en struwelen, worden gekoesterd. Als behoud van groen niet mogelijk is, dan wordt gecompenseerd, minimaal van eenzelfde omvang en kwaliteit, als het te verwijderen deel. Kan dat niet, dan wordt geld gestort in de bomenvoorziening, bedoeld voor instandhouding van een duurzaam bomenbestand.
- Kabels kunnen in de weg liggen voor aanplant. De gemeente neemt zoveel als mogelijk bij aanleg van kabels en leidingen initiatief voor aanwijzen van een boomvriendelijk tracé en gestuurd boren onder monumentale en waardevolle bomen en groenstructuren.
- De grootste ecologische waarde ligt langs de Donge. Dit is een grote groenblauwe dooradering van de gemeente, waaraan ook het Natuur Netwerk Brabant (NNB) ligt. Het is wenselijk dit gebied te versterken en andere groene en blauwe structuren hierop aan te sluiten. Dan ontstaat meer verbinding en dat komt natuurwaarden ten goede.
Biodiversiteit
- Betere leefomstandigheden creëren voor dieren en planten die ons een beeld geven van hoe het gaat met de biodiversiteit. Als zo’n ‘icoonsoort’ aanwezig is, wil dat zeggen, dat het goed gaat met de natuurwaarden.
- Bij ruimtelijke ontwikkelingen wordt rekening gehouden met onder meer huismus, gierzwaluw en vleermuizen. De Omgevingswet verbiedt vernietigen, doden en verwonden van beschermde dier- en plantensoorten en het wegnemen van hun verblijfplaatsen. In de gebouwde omgeving gaat het bij beschermde soorten vooral om vleermuizen, gierzwaluwen en huismussen. Met die dieren moet tijdens verbouwing of ontwikkeling rekening worden gehouden. Zodat de aanwezige populaties in stand gehouden kunnen worden of verbeteren.
- Hotspots van biodiversiteit worden zoveel mogelijk beschermd en versterkt. Zo’n hotspot is een locatie, waar het aantal soorten flora en fauna hoger is dan op andere plekken. Uit de Nationale Databank Flora en Fauna blijkt dat we in de verschillende deelgebieden meer of minder soorten aantreffen. De zeven belangrijkste en best onderzochte soortgroepen zijn vaatplanten, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en vogels.
- Grotere diversiteit in het bomenbestand en voedselbron voor insecten. Bij nieuwe aanplant van bomen en struiken is het belangrijk ook te selecteren op voedselbomen/-struiken voor insecten.
- Ecologisch maaibeheer is uitgangspunt voor alle grassen, met uitzondering van plekken, waar andere functies voorrang krijgen. Zoals bijvoorbeeld bermen in relatie tot verkeersveiligheid.
- Als natuurgebied verdwijnt wordt dat gecompenseerd. Daarbij mag geen verlies van natuurwaarden optreden.
- Langs perceelsgrenzen in het buitengebied worden waar mogelijk groene perceelscheidingen aangebracht, zoals heggen, houtwallen of takkenrillen. Die bieden ruimte voor schuilen en broeden van insecten, zoogdieren en vogels. Ook paddenstoelen, mossen en varens groeien graag op dit soort plekken. Ze zorgen verder voor aantrekkelijk leefgebied voor veel nuttige dieren en biodiversiteit.
- Binnen natuurgebieden wordt zoveel als mogelijk rust en stilte gewaarborgd.
- Gezonde bodem is basis voor biodiversiteit. Een gezonde bodem met een hoge biodiversiteit heeft essentiële functies. Het draagt bij aan bodemvruchtbaarheid, goede bodemstructuur, weren van ziekten en plagen en het afbreken van (schadelijke) stoffen. Deze functies noemen we ecosysteemdiensten. Om biodiversiteit te stimuleren kunnen overgangsgebieden ingericht worden.
- Kleine groene biodiversiteitsmaatregelen door inwoners worden waar mogelijk gefaciliteerd door de gemeente.
Klimaat
- Om hittestress tegen te gaan worden bij herinrichting van openbare ruimte meer bomen en groenstroken geplant, dan in de huidige situatie. Onderscheppen van zonnestraling is de meest effectieve manier om gevoelstemperatuur te verminderen. Grote bomen met dichte boomkruinen zijn daarvoor de beste optie om gevoelstemperatuur in stedelijke gebieden te verbeteren, omdat ze de meeste schaduw geven.
- Parkeergelegenheden zoveel mogelijk aanleggen als halfverharding of groene parkeerplaatsen.
- Op plekken die gevoelig zijn voor droogte wordt waar mogelijk water opgevangen.
- Voor goede waterkwaliteit staat een natuurlijk watersysteem centraal. Met een watersysteem dat gebaseerd is op een natuurlijke bodem-watersysteem is veel winst voor de natuur te behalen.
- Daken worden bij nieuwbouw of herinrichting zoveel mogelijk vergroend. Onder een groen dak verstaan we een dak dat begroeid is met planten, eventueel aangevuld met kruiden en/of grassen. Via meerlaagse begroeiing, die insecten en vogels aantrekt, verdampt het water geleidelijk. Bij nieuwbouw of herinrichting ontstaat vanaf het ontwerp ruimte hiervoor. Bij bestaande bouw is dat veel lastiger.
- Op lokale kleine schaal inwoners faciliteren in klimaatmaatregelen. Denk aan tegelwippen. Tegels vervangen door groen in de tuin, is goed voor het klimaat en de natuur. In een groene tuin heb je minder wateroverlast, is het koeler in de zomer en een groene tuin is goed voor allerlei dieren, insecten en vogels.
Gezondheid
- Er wordt gestreefd naar de 3+30+300-regel. De regel gaat uit van al het groen in de wijk, inclusief achtertuinen.
- Waar dat kan wordt voorzien in extra mogelijkheden voor extensieve natuurbeleving. Groene plekken nodigen uit tot recreatie, actief bewegen en sociale interactie. Het gaat hier om het maken van wandelpaden, fietspaden, klompenpaden of blotevoetenpaden. Plekken waar je even tot stilstand kunt komen en rust kunt ervaren.
- In het groenbeleid wordt de cultuurhistorie meegenomen.
- Bij vergroenen wordt gezorgd voor educatie, communicatie en participatie.
- Er wordt gestreefd naar zoveel mogelijk vergroenen en natuurlijk inrichten van speeltuinen en schoolpleinen.
- Inwoners, scholen en bedrijven die willen bijdragen aan klimaatadaptieve maatregelen en biodiversiteitsherstel worden gefaciliteerd.
